Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.1. College van burgemeester en schepenen - verslag van de zitting van 4 maart 2026 - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd het verslag van de vorige zitting goed te keuren.
Motivering
Het college van burgemeester en schepenen overloopt het verslag van de zitting van 4 maart 2026.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 50 Decreet Lokaal Bestuur
Adviezen
Er zijn geen adviezen nodig.
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit het verslag van de zitting van 4 maart 2026 goed te keuren.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.2. Overdracht erfpachtrecht vzw Braamrakkertjes - verzoek agendering gemeenteraad - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de goedkeuring van de "overdracht om niet" aan vzw Soetkin van de gebouwen en erfpachtrechten, gelegen in de Vercruysse de Solartstraat, waarvan vzw De Braamrakkertjes erfpachter is, te agenderen op de gemeenteraad.
Motivering
De gemeente ontving een schrijven van Altus Notarissen BV in het kader van een overdracht van een erfpachtrecht dat destijds door de gemeente werd toegestaan aan vzw De Braamrakkertjes.
De gemeenteraad verleende in zitting van 28 februari 2013 een recht van erfpacht aan vzw De Braamrakkertjes op volgend onroerend goed:
Gemeente Deerlijk - tweede afdeling:
Hetzij in totaal zestien are vier centiare (16 a 4 ca).
De vestiging van het recht van erfpacht werd toegestaan voor de duur van 99 jaar.
In het kader van een herstructurering (fusie) van 3 vzw's werd Altus Notarissen BV door vzw De Braamrakkertjes gelast met een regeling, waarbij zij al haar rechten wenst over te dragen aan vzw Soetkin, waarvan de zetel gevestigd is te 8500 Kortrijk, Budastraat 30, waarin alle activiteiten (en onder meer de onroerende goederen) gecentraliseerd zullen worden. De vzw Soetkin zal bijgevolg in de rechten en plichten treden van de overdragende vzw's. Deze overdragende vzw's zullen na de overdracht ontbonden worden.
In de erfpachtakte staat volgende vermeld:
9.- OVERDRACHT
De erfpachter kan zijn recht van erfpacht zoals aangeduid in dezeovereenkomstnietoverdragenbehoudensbij schriftelijkakkoord van de erfpachtgever.
Indiendeerfpachter aandeerfpachtgever vraagtomzijnrecht van vervreemding uitte oefenen, dandient hij derechtsopvolger aan de erfpachtgever voor te stellen. De erfpachtgever kan, maar moet dan niet de erfpachter ontlasten van zijn verbintenissen. De erfpachtgeverbeslistditsoevereinenzondermotiveringsplicht.Dit is een mogelijkheidvoor de erfpachter, maar geen recht.
Zonder ontlasting van zijn verbintenissen blijft de erfpachtermet de overnemer hoofdelijk en ondeelbaar aansprakelijk voor de uitvoering vanalleuit onderhavige overeenkomst voortvloeiende verbintenissen.
De erfpachter is ertoe gehouden om de erfpachtgever te vrijwarentegenaldebezitsdadenvanderdendietotverkrijgendeverjaring kunnen leiden.
In de akte van overdracht zal bedongen worden dat de verkrijgende vzw in alle rechten en plichten treedt van de bepalingen vervat in de akte die omtrent deze erfpacht verleden werd.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de goedkeuring van de "overdracht om niet" aan vzw Soetkin van de gebouwen en erfpachtrechten, gelegen in de Vercruysse de Solartstraat, waarvan vzw De Braamrakkertjes erfpachter, is te agenderen op de gemeenteraad.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.3. Asfalteringswerken diverse wegen - lastvoorwaarden, raming en wijze van gunnen - verzoek agendering gemeenteraad - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de lastvoorwaarden, raming en wijze van gunnen van de opdracht “Asfalteringswerken diverse wegen” te agenderen op de gemeenteraad.
Motivering
De jaarlijkse vernieuwing van asfalt-, betonwegen en fietspaden is noodzakelijk om de verkeersveiligheid, de bereikbaarheid en het comfort voor alle weggebruikers te waarborgen. De nodige kredieten werden hiervoor voorzien in het meerjarenplan. Het aanstellen van een vaste partner zorgt er bovendien voor om flexibel in te spelen op dringende herstellingen en prioritaire ingrepen.
In het kader van de opdracht “Asfalteringswerken diverse wegen” werd een bestek met nr. 2026-12 opgesteld door de deskundige aankoop, contracten & verzekeringen.
Deze opdracht is als volgt opgedeeld:
● Basisopdracht (Asfalteringswerken diverse wegen), raming: 285.051,66 euro excl. btw of 344.912,51 euro incl. 21% btw;
● Verlenging 1 (Asfalteringswerken diverse wegen), raming: 285.051,66 euro excl. btw of 344.912,51 euro incl. 21% btw;
● Verlenging 2 (Asfalteringswerken diverse wegen), raming: 285.051,66 euro excl. btw of 344.912,51 euro incl. 21% btw.
De totale uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op 855.154,98 euro excl. btw of 1.034.737,53 euro incl. 21% btw (179.582,55 euro btw medecontractant).
De opdracht heeft een looptijd van 12 maanden en kan 2 maal stilzwijgend verlengd worden.
Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen bij wijze van de openbare procedure.
De uitgave voor deze opdracht is voorzien in het investeringsbudget van 2026, op jaarbudgetrekening 0200-00/22400000/BESTUUR/CBS/0/IP-GEEN (actie 2.3.01) en 0200-00/22400000/BESTUUR/CBS/0/IP-GEEN (actie GBB) en in het budget van de volgende jaren.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de lastvoorwaarden, raming en wijze van gunnen van de opdracht “Asfalteringswerken diverse wegen” te agenderen op de gemeenteraad.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.4. Raamovereenkomst ICT 2025-2031 stad Brugge - toetreding - verzoek agendering gemeenteraad - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de toetreding tot de raamovereenkomsten ICT 2025-2031 van stad Brugge te agenderen op de gemeenteraad.
Motivering
Het bestuur heeft regelmatig behoefte aan de aankoop van ICT-systeeminfrastructuur en bijhorende diensten, zowel ter vervanging van bestaande infrastructuur als ter uitbreiding ervan. Hiervoor werd in het verleden gebruikgemaakt van het raamcontract ICT van de stad Brugge. Dit raamcontract van de stad Brugge met betrekking tot ICT-materiaal en consultancy, bestaande uit 12 percelen, is afgelopen sinds maart 2025.
De stad Brugge heeft inmiddels nieuwe raamovereenkomsten afgesloten voor de periode 2025-2031.
De nieuwe raamovereenkomsten werden als volgt gegund door de stad Brugge:
Raamovereenkomst | Perceel | Opdrachtnemer |
01 - Desktopapparatuur |
| Dustin NV |
02 - Licenties |
| Inetum Belgium NV |
03 - Glasvezel |
| Stopgezet |
04 - Consultancy | 1 - Software ontwikkeling | Cronos Public Services NV |
| 2 - Systeembeheer | Inetum Belgium NV |
| 3 - Security | Inetum Belgium NV |
05 - Systeeminfrastructuur | 1 - Netwerkinfrastructuur | Inetum Belgium NV |
| 2 - Draadloze infrastructuur | Citymesh Integrator NV |
| 3 - ICT-Servers-Storage | Inetum Belgium NV |
| 4 - Securityinfrastructuur | NTT Belgium NV |
06 - Multimedia |
| Play AV NV |
Stad Brugge treedt op als aankoopcentrale in de zin van titel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (overheidsopdrachten in klassieke sectoren) en is een aanbesteder die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en eventueel aanvullende aankoopactiviteiten verricht als bedoeld in de bepalingen onder respectievelijk artikel 2, 7° en 8° van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten.
Door de omvang van overheidsopdrachten te vergroten via de techniek van een aankoopcentrale wordt het mogelijk de mededinging te verbreden en overheidsbestellingen efficiënter te plaatsen.
Stad Brugge staat als aankoopcentrale in voor de beslissing in verband met de keuze van de wijze van gunning, de redactie van het bestek, voor de publicatie van de opdracht, voor het onderzoek van de offertes en voor de gunning van de opdracht.
Conform artikel 47 § 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten is een aanbesteder die een beroep doet op een aankoopcentrale vrijgesteld van de verplichting om zelf een plaatsingsprocedure te organiseren. De betrokken aanbesteder is evenwel verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen met betrekking tot de delen die hij zelf verricht.
Het is aangewezen om gebruik te maken van de opdrachtencentrale om volgende redenen:
● de in de opdrachtencentrale voorziene ICT-infrastructuur voldoet aan de behoefte van het bestuur;
● het bestuur moet zelf geen gunningsprocedure voeren wat een besparing aan tijd en geld betekent;
● de stad Brugge beschikt over knowhow of technische expertise betreffende de aankoop van ICT-infrastructuur door aanbestedende overheden.
De gemeente Deerlijk is niet verplicht tot enige afname van de raamovereenkomst (= geen afname-verplichting).
Deze raamovereenkomst heeft een maximale looptijd van 6 jaar (inclusief verlengingen).
De gemeente wenst, gelet op de hogergenoemde overwegingen, in te tekenen op de raamovereenkomst ICT 2025-2031 van de stad Brugge.
Bij het plaatsen van afroepbestellingen zal er steeds verwezen worden naar deze raamovereenkomst en goedkeuring gevraagd worden aan het college van burgemeester en schepenen.
De uitgaven voor deze opdracht zijn voorzien in het budget ICT van 2026 en volgende jaren.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de toetreding tot de raamovereenkomsten ICT 2025-2031 van stad Brugge te agenderen op de gemeenteraad.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.5. Toetreding tot de raamovereenkomst 'Schoonmaak - april 2023' van Creat - verzoek agendering GR - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de goedkeuring van de toetreding tot de raamovereenkomst 'Schoonmaak - april 2023' van de aankoopcentrale Creat, te agenderen op de gemeenteraad.
Motivering
Creat is een aankoopcentrale in de zin van titel 2 van de wet inzake overheidsopdrachten van 17 juni 2016 (overheidsopdrachten in klassieke sectoren) en is een aanbesteder die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en eventueel aanvullende aankoopactiviteiten verricht als bedoeld in de bepalingen onder respectievelijk artikel 2, 7° en 8° van voornoemde wet.
Door de omvang van overheidsopdrachten te vergroten via de techniek van een aankoopcentrale wordt het mogelijk de mededinging te verbreden en overheidsbestellingen efficiënter te plaatsen.
In toepassing van artikel 48 van de wet inzake overheidsopdrachten van 17 juni 2016 kunnen
overheidsopdrachten voor rekening van verschillende aanbesteders ook worden samengevoegd.
Creat staat als aankoopcentrale in voor de beslissing in verband met de keuze van de wijze van gunning, de redactie van het bestek, voor de publicatie van de opdracht, voor het onderzoek van de offertes en voor de gunning van de opdracht.
Conform artikel 47, § 2 van de wet inzake overheidsopdrachten van 17 juni 2016 is een aanbesteder die een beroep doet op een aankoopcentrale vrijgesteld van de verplichting om zelf een plaatsingsprocedure te organiseren. De betrokken aanbesteder is evenwel verantwoordelijke voor de nakoming van de verplichtingen met betrekking tot de delen die hij zelf verricht.
Creat startte een nieuwe plaatsingsprocedure op met als doel het afsluiten van een nieuwe raamovereenkomst voor het uitvoeren van schoonmaakopdrachten.
De opdracht werd aanbesteed via een openbare procedure met voorafgaande publicatie in het Bulletin der Aanbestedingen en het Publicatieblad van de Europese Unie.
De opdracht werd toegewezen aan volgende dienstverleners:
● GOM nv - Kattendijkdok-Westkaai 12.005, 2000 Antwerpen;
● ISS Facility Services nv - Congresstraat 35, 1000 Brussel.
Bij concrete interesse zal in samenspraak met Creat een dossier worden samengesteld op basis waarvan een minicompetitie zal georganiseerd worden met bovenstaande dienstverleners.
De gemeente wenst, gelet op hogergenoemde overwegingen, in te tekenen op de raamovereenkomst 'Schoonmaak - april 2023' van de aankoopcentrale Creat.
De nodige kredieten zijn voorzien in het meerjarenplan.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de goedkeuring van de toetreding tot de raamovereenkomst 'Schoonmaak - april 2023' van de aankoopcentrale Creat, te agenderen op de gemeenteraad.
Jo Tijtgat Claude Croes Louis Vanderbeken Karel Bauters Lukas Viaene Regine Rooryck Jo Tijtgat Claude Croes Louis Vanderbeken Lukas Viaene Regine Rooryck aantal voorstanders: 5 , aantal onthouders: 0 , aantal tegenstanders: 0 Goedgekeurd
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.6. Begeleidster voor- en naschoolse kinderopvang - beslissing genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid - goedkeuring
STEMMINGEN
bij geheime stemming
Het college van burgemeester en schepenen besluit met 5 ja-stemmen
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.7. Personeelsbeleid - delegaties - verzoek agendering gemeenteraad - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de voorzitter van de raad te verzoeken om de delegaties omtrent het personeelsbeleid te agenderen op de gemeenteraad van maart 2026.
Motivering
Inzake het personeelsbeleid van het lokaal bestuur, biedt het decreet lokaal bestuur heel wat bewegingsvrijheid tot delegatie van bevoegdheden. Op vandaag zitten al deze bevoegdheden sterk geconcentreerd op niveau van de raad. Het staat elk lokaal bestuur in dat opzicht vrij om te bepalen wat het meest geschikte niveau is om vorm te geven aan het personeelsbeleid van de organisatie. Het is daarbij weliswaar raadzaam om de diverse aspecten van het personeelsbeleid niet willekeurig te verdelen, maar te koppelen aan het beleidsniveau met de meeste voeling met en impact op de betrokken materie.
Het is raadzaam om dit vast te leggen om te komen tot een vlotte en efficiënte werking die de rechtszekerheid optimaal dient, en om binnen de dagdagelijkse werking snel te kunnen handelen en op een flexibele manier te kunnen bijsturen om operationele wijzigingen zo snel mogelijk te kunnen doorvoeren.
Het vaststellen van de (lokale) rechtspositieregeling van het personeel behoort tot de delegeerbare bevoegdheden van de raad aan het college van burgemeester en schepenen. Deze bevoegdheid kan niet verder doorgedelegeerd worden. De rechtspositie is het volledige geldelijke en administratieve statuut van de personeelsleden van het lokaal bestuur. Deze is onderhevig aan wijzigingen opgenomen in diverse hogere normen (Vlaams, federaal en Europees). Deze normen wijzigen frequent, en hoewel de hogere wetgeving steeds primeert op de lokale, biedt het meer transparantie en rechtszekerheid als de lokale rechtpositieregeling mee evolueert. Door een delegatie aan het college van burgemeester en schepenen wordt vermeden dat wijzigingen niet tijdig doorgevoerd zouden kunnen worden door de administratieve procedures die eigen zijn aan dossiers die op de raad worden geagendeerd. Dit heeft bijkomend als voordeel dat de agenda’s van de raden niet onnodig worden verzwaard.
Ook het vaststellen van andere reglementen over personeelsaangelegenheden dan de (lokale) rechtspositieregeling van het personeel behoort tot de delegeerbare bevoegdheden van de raden. Deze kunnen in principe ook nog verder gedelegeerd worden, hoewel dit niet aangewezen is om samenhang en een coherent personeelsbeleid te garanderen. Ook hier is er vaak een impact van snel wijzigende hogere normen. Daarnaast gaat het vaak ook over louter praktische wijzigingen. Indien deze wijzigingen via een raad moeten passeren, is het gewicht van deze administratieve procedure vaak niet in verhouding tot de inhoud van de door te voeren aanpassing. Delegatie naar het college van burgemeester en schepenen komt hieraan tegemoet.
Gelet op bovenstaande is het ook raadzaam in het kader van een coherent en transparant personeelsbeleid om de vaststelling van het organogram, alsook de definitie van het begrip dagelijks personeelsbeheer, te delegeren naar het college van burgemeester en schepenen.
Het college van burgemeester en schepenen rapporteert hierover via de notulen. Beslissingen die uit deze bevoegdheid voortvloeien en die een budgettaire impact hebben die het meerjarenplan van het lokaal bestuur kunnen beïnvloeden, blijven afhankelijk van de goedkeuring van de raad, die bevoegd blijft voor de meerjarenplanning van het lokaal bestuur.
Teneinde de rechtszekerheid te dienen, wordt tevens voorgesteld om het delegatiebesluit inzake toekenning en vastleggen van brugdagen en dienstvrijstellingen d.d. 30 april 2020 (genomen i.f.v. de coronacrisis) op te heffen, gezien deze materie omvat zit in de lokale rechtspositieregeling.
Juridische gronden
Algemene basisbevoegdheid:
● Art. 41, tweede lid, 2° Decreet Lokaal Bestuur
● Art. 56 § 1 Decreet Lokaal Bestuur
● Art. 57 Decreet Lokaal bestuur
● Art. 161 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken om de delegatie van volgende bevoegdheden, van de raad naar het college van burgemeester en schepenen, te agenderen op de raad van maart 2026:
● het vaststellen van de rechtspositieregeling;
● het vaststellen van andere reglementen die betrekking hebben op personeelsaangelegenheden;
● het vaststellen van het organogram;
● het vaststellen van het begrip dagelijks personeelsbeheer.
Artikel 2
Teneinde de rechtszekerheid te dienen, stelt het college van burgemeester en schepenen ook voor aan de raad om het delegatiebesluit inzake toekenning en vastleggen van brugdagen en dienstvrijstellingen d.d. 30 april 2020 op te heffen, gezien deze materie omvat zit in de lokale rechtspositieregeling.
Jo Tijtgat Claude Croes Louis Vanderbeken Karel Bauters Lukas Viaene Regine Rooryck Jo Tijtgat Claude Croes Louis Vanderbeken Lukas Viaene Regine Rooryck aantal voorstanders: 5 , aantal onthouders: 0 , aantal tegenstanders: 0 Goedgekeurd
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.8. Expert personeel (B4-B5) - afsluiting kandidaturen, uitslag selectieprocedure en aanstelling - goedkeuring
STEMMINGEN
bij geheime stemming
Het college van burgemeester en schepenen besluit met 5 ja-stemmen
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.9. Diverse verslagen - kennisname
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht kennis te nemen van de aan de gemeente overgemaakte verslagen.
Motivering
Volgende verslagen werden overgemaakt aan de gemeente:
● Fluvia - verslag van de zoneraad van 23 januari 2026
● Fluvia - verslag van het zonecollege van 23 januari 2026
● Fluvia - verslag van de zoneraad van 27 februari 2026
● Fluvia - verslag van het zonecollege van 27 februari 2026
● PZ Gavers - verslag van de politieraad van 9 december 2025
● Centraal Feestcomité - verslag van de vergadering van 5 maart 2026
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Adviezen
Er zijn geen adviezen nodig.
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van de ontvangen verslagen.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.10. Receptionele aangelegenheden - tijdstip en locatie - goedkeuring
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.11. Cluster vrije tijd - jaarrapport 2025 - kennisname
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht kennis te nemen van het jaarrapport 2025 van cluster vrije tijd.
Motivering
Binnen de cluster vrije tijd werd in 2025 door het clusterhoofd aan de verschillende deskundigen gevraagd om doorheen het jaar relevante cijfergegevens en indicatoren systematisch bij te houden. Deze gegevens laten toe om de werking van de cluster op een onderbouwde manier te monitoren, te evalueren en waar nodig, bij te sturen. De bedoeling is om deze cijfers de komende jaren structureel bij te houden, alsook om te bekijken of bijkomende indicatoren of cijfermateriaal nuttig zijn om de werking te evalueren.
De verzamelde data werden gebundeld in het jaarrapport 2025 van de cluster vrije tijd. Dit rapport biedt een visueel overzicht van de belangrijkste activiteiten, cijfers en evoluties binnen de verschillende diensten van de cluster.
Daarnaast vormt het jaarrapport een praktisch instrument om de voortgang van de doelstellingen uit het meerjarenplan te bespreken met de betrokken schepenen, alsook om de acties op te volgen en te kaderen binnen de dagelijkse werking van de diensten.
Het rapport werd besproken met de individuele betrokken schepenen en wordt ter kennisname voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het jaarrapport 2025 van de cluster vrije tijd.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.12. Kinderboerderij Bokkeslot - verslag Raad van Bestuur van 16 december 2025 - kennisname
Aanleiding en context
De raad van bestuur van Kinderboerderij Bokkeslot hield een vergadering op 16 december 2025.
Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht kennis te nemen van het verslag.
Motivering
De gemeenteraad keurde in zitting van 28 mei 2020 het vernieuwde premiereglement exploitatiepremie Kinderboerderij Bokkeslot goed. Volgens artikel 3 van dit premiereglement is één van de voorwaarden voor het ontvangen van de jaarlijkse premie dat de verslagen van de raad van bestuur en de algemene vergadering, na goedkeuring in de raad van bestuur, bezorgd worden aan de jeugdconsulent en ter kennisname voorgelegd worden aan het college van burgemeester en schepenen.
Het verslag van deze vergadering werd goedgekeurd in een volgende zitting van de raad van bestuur van Kinderboerderij Bokkeslot van 20 januari 2026.
De bijhorende toelichting is te vinden in het verslag als bijlage.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Adviezen
Er zijn geen adviezen nodig.
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het goedgekeurde verslag.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.13. Jeugdraad - verslag van 08 februari 2026 - kennisname
Aanleiding en context
De jeugdraad hield een vergadering op 8 februari 2026.
Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht kennis te nemen van het verslag.
Motivering
Het verslag van deze vergadering werd goedgekeurd in een volgende zitting van 1 maart 2026.
De bijhorende toelichting is te vinden in het verslag in bijlage.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Adviezen
Er zijn geen adviezen nodig.
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het goedgekeurde verslag.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.14. Speelpleinwerking - vrijwilligersovereenkomst voor vrijwilligers die fruit snijden - goedkeuring
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.15. Zwembad - tariefreglement - aanpassing - verzoek agendering gemeenteraad - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd om de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken de aanpassing van het tariefreglement voor het intergemeentelijk zwembad Aquandé Anzegem - Deerlijk te agenderen op de gemeenteraad van 30 april 2026.
Motivering
Voor het intergemeentelijk zwembad Aquandé Anzegem - Deerlijk, geëxploiteerd door FARYS, dient door de gemeenteraad van beide gemeenten het gewijzigde tariefreglement goedgekeurd te worden.
De gemeenteraad keurde het tariefreglement goed in zitting van 28 mei 2020.
Bij de verdere voorbereiding en uitrol van de exploitatie van het intergemeentelijk zwembad werden enkele voorstellen tot aanpassing van het tariefreglement geformuleerd en besproken op de stuurgroep.
Verschillende scenario’s en simulaties werden in Anzegem en Deerlijk bekeken en overlegd.
● Sinds de opening van zwembad Aquandé in 2020, zijn de tarieven voor het zwembad gelijk gebleven.
● In het algemeen wordt een verhoging van 20 % toegepast op de prijzen, enkel een zwembeurt is iets meer verhoogd, nl. van 3 euro naar 4 euro.
● Het tarief voor het schoolzwemmen en de prijs voor een brevet blijven ongewijzigd.
● De tarieven zullen niet jaarlijks geïndexeerd worden, maar om de drie jaar geëvalueerd worden en indien nodig aangepast.
● De optie volledig bad en/of zwembaan huren (buiten de publieke uren) met eigen redder wordt geschrapt omdat dit niet haalbaar is binnen het huidig uurrooster. Het is wenselijk dat er altijd iemand van het personeel aanwezig is in het gebouw.
● In een overlegvergadering met Farys, Anzegem en Deerlijk op 26 februari 2026, werd beslist om onderstaande tarieven te hanteren vanaf 1 september 2026.
Het voorstel van aangepast reglement omvat volgende nieuwe tarieven:
Artikel | Oud tarief | Nieuw tarief vanaf 01/09/2026 | Tarief MIA Vanaf 01/09/2026 (20 % van prijs) |
Zwembeurt kinderen < 4 jaar | gratis | gratis | gratis |
Zwembeurt vanaf 4 jaar | 3,00 euro | 4,00 euro | 0,80 euro |
Abonnement 3 maand: 4-12 jaar | 30,00 euro | 36,00 euro | 7,20 euro |
Abonnement 3 maand: > 12 jaar | 35,00 euro | 42,00 euro | 8,40 euro |
Abonnement 3 maand > 60 jaar, mensen met beperking | 30,00 euro | 36,00 euro | 7,20 euro |
Jaarabonnement: 4-12 jaar | 100,00 euro | 120,00 euro | 24,00 euro |
Jaarabonnement > 12 jaar | 120,00 euro | 144,00 euro | 28,80 euro |
Jaarabonnement > 60 jaar, mensen met beperking | 100,00 euro | 120,00 euro | 24,00 euro |
Familie jaarabonnement (vanaf 3 personen op hetzelfde adres gedomicilieerd of met bewijs co-ouderschap) | 200,00 euro | 240,00 euro | 48,00 euro |
Aankoop zwembandje (abonnement) | 5,00 euro | 6,00 euro | 6,00 euro |
Schoolzwemmen per leerling per beurt | 1,20 euro | 1,20 euro | Nvt |
zwembrevet | 1,50 euro | 1,50 euro | 1,50 euro |
Artikel | Oud tarief | Nieuw tarief vanaf 01/09/2026 |
Bedrijven, commerciële instellingen en particulieren | ||
Volledig bad (binnen de publieke uren) met redder | 80,00 euro | 96,00 euro |
Zwembaan (binnen publieke uren) met redder | 20,00 euro | 24,00 euro |
|
|
|
Verenigingen | ||
Volledig bad (buiten publieke uren) met redder | 40,00 euro | 48,00 euro |
Volledig bad (buiten publieke uren met assistentie redder club) | 30,00 euro | 36,00 euro
|
Zwembaan (binnen publieke uren) met redder | 10,00 euro | 12,00 euro |
Zwembaan ( binnen publieke uren met assistentie redder club) | 7,50 euro | 9,00 euro |
Financiën
Geen financiële impact.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen verzoekt de voorzitter van de gemeenteraad om volgend aangepast tariefreglement voor het intergemeentelijk zwembad Aquandé Anzegem - Deerlijk te agenderen op de gemeenteraad van 30 april 2026.
Tariefreglement
Intergemeentelijk zwembad Aquandé Anzegem-Deerlijk
Artikel | Oud tarief | Nieuw tarief vanaf 01/09/2026 | Tarief MIA Vanaf 01/09/2026 (20 % van prijs) |
Zwembeurt kinderen < 4 jaar | gratis | gratis | gratis |
Zwembeurt vanaf 4 jaar | 3,00 euro | 4,00 euro | 0,80 euro |
Abonnement 3 maand: 4-12 jaar | 30,00 euro | 36,00 euro | 7,20 euro |
Abonnement 3 maand: > 12 jaar | 35,00 euro | 42,00 euro | 8,40 euro |
Abonnement 3 maand > 60 jaar, mensen met beperking | 30,00 euro | 36,00 euro | 7,20 euro |
Jaarabonnement: 4-12 jaar | 100,00 euro | 120,00 euro | 24,00 euro |
Jaarabonnement > 12 jaar | 120,00 euro | 144,00 euro | 28,80 euro |
Jaarabonnement > 60 jaar, mensen met beperking | 100,00 euro | 120,00 euro | 24,00 euro |
Familie jaarabonnement (vanaf 3 personen op hetzelfde adres gedomicilieerd of met bewijs co-ouderschap) | 200,00 euro | 240,00 euro | 48,00 euro |
Aankoop zwembandje (abonnement) | 5,00 euro | 6,00 euro | 6,00 euro |
Schoolzwemmen per leerling per beurt | 1,20 euro | 1,20 euro | Nvt |
zwembrevet | 1,50 euro | 1,50 euro | 1,50 euro |
Artikel | Oud tarief | Nieuw tarief vanaf 01/09/2026 | ||||
Bedrijven, commerciële instellingen en particulieren | ||||||
Volledig bad (binnen de publieke uren) met redder | 80,00 euro | 96,00 euro | ||||
Zwembaan (binnen publieke uren) met redder | 20,00 euro | 24,00 euro | ||||
|
|
| ||||
Verenigingen | ||||||
Volledig bad (buiten publieke uren) met redder | 40,00 euro | 48,00 euro | ||||
Volledig bad (buiten publieke uren met assistentie redder club) | 30,00 euro | 36,00 euro
| ||||
Zwembaan (binnen publieke uren) met redder | 10,00 euro | 12,00 euro | ||||
Zwembaan ( binnen publieke uren met assistentie redder club) | 7,50 euro | 9,00 euro | ||||
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.16. Evenementen - Centraal Feestcomité - nieuwjaarsreceptie burger 2026 - uitbetaling saldo - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd het saldo uit te betalen aan het Centraal Feestcomité voor de voorziene werkingskosten aangaande de nieuwjaarsreceptie voor de burger, die plaatsvond op zaterdag 3 januari 2026.
Motivering
Het Centraal Feestcomité organiseert jaarlijks de nieuwjaarsreceptie voor de burger die plaatsvindt op de eerste zaterdag van de maand januari.
In haar schrijven van 9 februari 2026 vraagt het Centraal Feestcomité om het resterende saldo op de voorziene toelage voor de gemeentelijke nieuwjaarsreceptie, ten bedrage van 1.945,27 euro, over te schrijven op hun rekeningnummer BE68 7384 0808 0234, en voegt daarbij een financieel overzicht.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 3, 3° Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft financiële gevolgen.
Raming of bedrag | 1.945,27 euro |
Actie | Tussenkomst werkingsuitgaven centraal feestcomité |
Jaarbudgetrekening | GBB-CBS/0719-00/64420000 |
Visum | niet vereist |
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit om het saldo uit te betalen van 1.945,27 euro, aangaande de werkingskosten voor de nieuwjaarsreceptie voor de burger, die plaatsvond op zaterdag 3 januari 2026, op het rekeningnummer BE68 7384 0808 0234 van het Centraal Feestcomité.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.17. Kinderboerderij Bokkeslot - bloemenverkoop 9 mei 2026 - parkeerverbod - goedkeuring
Aanleiding en context
Aan het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd toelating te verlenen voor een tijdelijke inname van het openbaar domein en bijhorend parkeerverbod, naar aanleiding van een occasionele verkoop.
Motivering
Kinderboerderij Bokkeslot wenst haar jaarlijkse bloemenverkoop te organiseren op zaterdag 9 mei 2026 en vraagt toelating voor:
● parkeerverbod op volgende plaats: Kerkplein, 3 parkeerplaatsen ter hoogte van het herdenkingsmonument op zaterdag 9 mei 2026 van 8.00 uur tot 18.00 uur.
PZ Gavers heeft de nodige verkeersmaatregelen opgesteld conform het signalisatieplan ingetekend in Eagle.be met uniek nummer 3372671.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
● Andere:
○ Algemene politieverordening, goedgekeurd in gemeenteraadszitting van 29 april 2010 en latere wijzigingen
○ Beslissing van het politiecollege van 27 november 2008 in verband met plaatsing verkeerssignalisatie
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit zijn goedkeuring te verlenen voor het instellen van een parkeerverbod op het Kerkplein voor 3 parkeerplaatsen ter hoogte van het herdenkingsmonument, op zaterdag 9 mei 2026 van 8.00 uur tot 18.00 uur.
Artikel 2
Naar aanleiding van de beslissing van het politiecollege van 27 november 2008 dient de organisatie/vereniging zelf in te staan voor de plaatsing van de verkeers- en omleggingssignalisatie aan de hand van het toegestuurde signalisatieplan, opgemaakt door de politie. De politie zal enkel instaan voor het toezicht op de correcte plaatsing van de verkeers- en omleggingssignalisatie.
Het plaatsen van het parkeerverbod wordt als volgt geregeld: het aanbrengen en wegnemen van parkeerverbodsborden gebeurt door de technische diensten van de gemeente. De controle op de naleving van het parkeerverbod gebeurt door de politie.
Artikel 3
De organisatoren moeten rekening houden met de algemene voorschriften van de hulpverleningszone Fluvia inzake brandpreventie. Deze voorschriften kan men terugvinden op de website via volgende link: www.brandweerfluvia.be/brandveiligheid/organiseer.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.18. Evenementen - Paaseierenraap Gezinsbond - 29 maart 2026 - inname openbaar domein - goedkeuring
Aanleiding en context
Aan het college van burgemeester wordt gevraagd toelating te verlenen voor een tijdelijke inname van het openbaar domein naar aanleiding van een evenement.
Motivering
De Gezinsbond wenst de jaarlijkse Paaseierenraap te organiseren op zondag 29 maart 2026 en vraag toelating voor de inname van het Gaverdomein:
● klein speelplein aan het grasplein tussen de tennisvelden en het Gaverkasteel.
Er worden geen verkeerstechnische maatregelen gevraagd.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit zijn goedkeuring te verlenen voor de tijdelijke inname van het openbaar domein (klein speelplein op het Gaverdomein) op zondag 29 maart 2026, van 7.00 uur tot 13.00 uur.
Artikel 2
De organisatoren moeten rekening houden met de algemene voorschriften van de hulpverleningszone Fluvia inzake brandpreventie. Deze voorschriften kan men terugvinden op de website via volgende link: www.brandweerfluvia.be/brandveiligheid/organiseer.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.19. OMV 2025_180 - Vercruysse de Solartstraat - beslissing
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een nieuw scoutslokaal, op een perceel gelegen Vercruysse de Solartstraat en met als kadastrale omschrijving (afd. 2) sectie C 192 W2, aangevraagd door Mattijs Benoit namens BRIC - COLLAGE VZW gevestigd Sint-Amandusstraat 17 te 8540 Deerlijk.
Motivering
Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt de vermelde aanvraag, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen en heeft betreffende de aanvraag het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar ingewonnen.
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar zoals uitgebracht op 5 maart 2026.
Het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar luidt als volgt: Voorwaardelijk gunstig. Er dient voldaan te worden aan volgende voorwaarde(n):
● Er dient een septische put geplaatst te worden.
● Alle beplanting zoals voorzien op de plannen nieuwe toestand (inplantingsplan en grondplan) moeten gerealiseerd zijn in het eerstvolgend plantseizoen volgend op de uitvoering van de bouwwerken.
● De algemene aandachtspunten geformuleerd in de adviezen van AWV en Fluvia dienen nageleefd te worden.
Het advies wordt als volgt gemotiveerd:
Gewestplan
De aanvraag situeert zich in het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde origineel gewestplan Kortrijk met als bestemming gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut.
Ruimtelijk uitvoeringsplan
● De aanvraag ligt in een gebied waarvoor een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Grens afbakening regionaalstedelijk gebied Kortrijk’ door de Vlaamse Regering werd vastgesteld op 20 januari 2006.
● De aanvraag is gelegen binnen de grenzen van het provinciaal ruimtelijke uitvoeringsplan Solitaire vakantiewoningen – Interfluvium, zoals vastgesteld door de deputatie op 25 juni 2015.
● De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
Bijzonder plan van aanleg
De aanvraag is gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, BPA Gavers wijziging E, 16 juni 2008 met als bestemming zone 3 – gemeenschaps-voorzieningen.
Verkaveling
De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurde niet-vervallen verkaveling.
Bepaling van het plan dat van toepassing is op de aanvraag
Het BPA is van toepassing op de aanvraag.
Overeenstemming met dit plan
De aanvraag is in overeenstemming met de vigerende voorschriften.
Stedenbouwkundige verordeningen
Voor het perceel zijn de volgende stedenbouwkundige verordeningen relevant:
● Algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1997.
● Gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake openlucht recreatieve verblijven en de inrichting van gebieden voor dergelijke verblijven, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005.
● Gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 (en latere wijzigingen).
● Gewestelijke verordening inzake hemelwater, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023.
Volgende historisch gekoppelde dossiers zijn relevant:
● Omgevingsvergunning /OMV_2018074982 voor bouwen van een polyvalente zaal op het gaverdomein goedgekeurd op 12/09/2018.
● Omgevingsvergunning /OMV_2019029133 voor bouwen van een afvalberging op de site van het gaverdomein goedgekeurd op 11/09/2019.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-24-H) voor aanbouw van een materiaalruimte aan de achterkant van de scoutslokalen - goedgekeurd op 04/11/1987.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-24-K) voor vellen van 8 populieren - goedgekeurd op 09/06/1992.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-30-A) voor renoveren van het bestaand speelplein - goedgekeurd op 29/03/2000.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-ZN) voor rooien van 20 populieren - goedgekeurd op 29/08/2000.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-24-0) voor plaatsen van een boorput - goedgekeurd op 06/10/2004.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-24-P) voor uitvoeren van renovatiewerken in het gaverkasteel - goedgekeurd op 12/05/2005.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-24-T) voor uitbreiden van de jeugddienst - goedgekeurd op 12/11/2009.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-30-E) voor bouwen van een nieuwe hs-cabine (ter vervanging van de cabine in het zwembad) - goedgekeurd op 06/06/2012.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-30-D) voor rooien van hoogstammige bomen - goedgekeurd op 03/07/2012.
● Stedenbouwkundige vergunning (0074-24-W) voor uitbreiden van een berglokaal - goedgekeurd op 29/04/2015.
● Stedenbouwkundige vergunning (0072-32-A) voor bouwen van een kinderdagverblijf - goedgekeurd op 17/08/2016.
● Milieuvergunning 2011/2/003 voor uitbreiden grondwaterwinning en sporthal - gedeeltelijk gunstig op 08/09/2011.
● Milieuvergunning 2012/3/010 voor hoogspanningscabine - goedgekeurd op 22/11/2012.
3.1 Beschrijving van de omgeving
De eigendom is een groot perceel gelegen tussen de Stationsstraat, Vercruysse de Solartstraat, Braamakkerstraat en de Ringlaan op ongeveer 800 m ten zuiden van de kern van Deerlijk. De Vercruysse de Solartstraat is een voldoende uitgeruste gemeenteweg.
Het gebouw is gelegen in het Gaverdomein dat gekenmerkt wordt als een groene recreatieve ruimte met onder meer de scoutslokalen, het sociaal huis, de sporthal, een kinderopvang, een horecazaak, tennisvelden en parkeervoorzieningen.
3.2 Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvrager wenst een vrijstaand scoutslokaal te bouwen na sloop van het bestaande scoutslokaal.
Het gebouw wordt ingeplant op 15,24 m van de rooilijn (kant N36), de afstand tot de linker perceelsgrens bedraagt +/- 68,75 m. De afstand tot de achterkavelgrens bedraagt 32 m. Het scoutslokaal heeft een breedte van 15 m. De diepte bedraagt 7 m. Het lokaal bestaat uit één bouwlaag met lessenaarsdak. De kroonlijsthoogte bedraagt 2,60 m en de nokhoogte ligt op 3,58 m.
Het gebouw wordt ingericht met berging en multifunctioneel lokaal.
De gevels worden afgewerkt in hout, de dakbedekking bestaat uit antracietkleurige dakpanplaten en het schrijnwerk is voorzien in hout. Tegen de oostgevel voorziet de aanvrager de aanplant van een klimplant.
Aansluitend aan en ten zuiden van het lokaal wordt een terras met 13,45 m² in waterdoorlatende verharding aangelegd. Ten noorden wordt een wadi aangelegd met een diepte van maximaal 30 cm t.o.v. het maaiveld en waarbij een aanpalende verlaagde zone aangeplant wordt met o.a. mattenbies, gele lis, egelskop.
3.3 Beschrijving van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen of activiteiten
De aanvraag heeft geen betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit.
Er diende over de aanvraag geen openbaar onderzoek gehouden te worden.
De aanpalende eigenaars werden niet om advies gevraagd aangezien de aanvraag geen betrekking heeft op werken aan scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom.
Het Agentschap Wegen en Verkeer werd om advies verzocht op 13 januari 2026. De adviesinstantie bracht op 12 februari 2026 een voorwaardelijk gunstig advies uit mits rekening te houden met de in het advies omschreven aandachtspunten voor werken langsheen de gewestweg.
De brandweerzone Fluvia – dienst brandpreventie werd om advies verzocht op 13 januari 2026. De adviesinstantie bracht op 12 februari 2026 een voorwaardelijk gunstig advies uit. Het advies wordt als volgt gemotiveerd:
“Het voorwerp van de aanvraag (herbouwen van een scoutslokaal) impliceert geen brandvoorkomingsmaatregelen, voor zover voldaan wordt aan de algemene reglementeringen (bv. ARAB, CODEX, AREI, VLAREM, ... .) en normeringen.”
De VMM werd om advies verzocht op 13 januari 2026. De adviesinstantie bracht op 10 februari 2026 een gunstig advies uit. Het advies wordt als volgt gemotiveerd:
“ De locatie te Deerlijk, 2de afdeling, sectie C nr. 0192 W 2 is niet gelegen langs een onbevaarbare waterloop van eerste categorie, maar stroomt deels af naar de Gaverbeek, een onbevaarbare waterloop van eerste categorie die wordt beheerd door de VMM – kern Beheer en Investeringen Waterlopen.
Volgens de bijlage III, IV en V van het uitvoeringsbesluit watertoets kan de overstromingsgevoeligheid als volgt beschreven worden: geen overstroming gemodelleerd voor kustoverstroming, deels pluviaal overstromingsgevoelig en geen fluviale overstromingen gemodelleerd.
De aanvraag omvat:
○ het slopen van vrijstaande (bij)gebouwen;
○ het bouwen van de nieuw scoutslokaal;
○ het aanleggen van niet-waterdoorlatende verharding in functie van aanleg toegangsweg, afwaterend in groenzone op naastgelegen terrein;
○ het aanleggen van waterdoorlatende verhardingen in functie van aanleg terrassen;
○ beperkte reliëfwijziging in functie van aanleggen van wadi’s.
Het perceel is deels overstromingsgevoelig volgens de pluviale watertoetskaarten. Ter hoogte van het nieuwe scoutslokaal wordt enkel een kleine kans op overstroming gemodelleerd. Het vloerpeil wordt voorzien op 14,25 mTAW; wat voldoende hoog is.
GSV Hemelwater
De hemelwaterafvoer van de aanvraag moet minstens voldoen aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 10 februari 2023 inzake hemelwaterputten e.a. (GSV). Prioriteit ligt bij het vermijden van afstroom, maximaal hergebruiken van hemelwater en bovengrondse infiltratie.
De nieuwe horizontale dakoppervlakte bedraagt 105 m². Het dakwater moet in principe in eerste instantie opgevangen worden in een hemelwaterput voorzien voor hergebruik. Men wenst hierop een afwijking aan te vragen omdat er bijna geen mogelijkheden voor hergebruik zijn in het nieuwe lokaal. De belangrijkste (sanitaire) voorzieningen bevinden zich in het hoofdgebouw. Aangezien de mogelijkheden voor hergebruik beperkt zijn kunnen we hiermee akkoord gaan.
Het dakwater van het nieuwe scoutslokaal watert af naar een wadi (30 cm diep) naast het gebouw. Deze infiltratievoorziening heeft een volume van 4.239 liter en een infiltratieoppervlakte van 16 m² wat ruim voldoende is.
De VMM heeft in het kader van de watertoets geen opmerkingen bij de aanvraag.”
De aanvraag valt niet onder de bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025. Project-MER of OVR is niet van toepassing op voorliggende aanvraag.
Op basis van de hierboven vermelde overwegingen wordt tot de volgende beoordeling van het dossier gekomen.
7.1 Planologische toets
De aanvraag dient getoetst te worden aan de stedenbouwkundige voorschriften van BPA Gavers wijziging E.
Het gevraagde is in overeenstemming met de voorzieningen van het BPA gezien het een gebouw betreft in functie van een jeugdbeweging en valt onder gemeenschapsvoorzieningen, de maximale oppervlakte aan bebouwing op het perceel bedraagt minder dan 30 % en het voorziene volume wijkt niet af van de gestalde voorschriften.
7.2 Decretale beoordelingsgronden
Voldoende uitgeruste weg (artikel 4.3.5.,VCRO)
De aanvraag is gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, zijnde een weg die met duurzame materialen is verhard en voorzien is van een elektriciteitsnet. Tevens voldoet de weg aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, waaronder de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.
Bedrijfswoningen (artikel 4.3.6.,VCRO)
De aanvraag voorziet niet in de oprichting van een bedrijfswoning waardoor de bepalingen van artikel 4.3.6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet van toepassing zijn.
Toegankelijkheid (artikel 4.3.7.,VCRO)
Artikel 4.3.7. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat de stedenbouwkundige vergunning voor de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6°, 7° en 8°, niet wordt verleend wanneer niet is voldaan aan de bij of krachtens de wet of het decreet gestelde regelen betreffende toegang van personen met een functiebeperking tot openbare wegen en tot voor het publiek toegankelijke onroerende goederen.
De aanvraag heeft betrekking op een publiek toegankelijk gebouw. Dit dient te voldoen aan de Vlaamse stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.
Aangezien de publiek toegankelijke oppervlakte kleiner is dan 150 m², dient enkel de toegang tot de gebouwen te voldoen.
De ruwbouwmaten van toegangen of deuropeningen voor publiek toegankelijke delen moeten minstens 105 cm breed zijn, zodat na afwerking een vrije en vlakke doorgangsbreedte van minstens 90 cm gegarandeerd wordt. Voor en achter deze toegang of deur moet voor een vrije en vlakke draairuimte met een diameter van 150 cm worden gezorgd. Niveauverschillen mogen maximum twee cm bedragen, zoniet dienen deze overbrugd te worden met een helling met een hellingspercentage van maximum 10 procent.
Rooilijnen, achteruitbouwstroken en reservatiestroken (artikel 4.3.8.,VCRO)
De aanvraag wordt niet getroffen door een rooilijn, reservatiestrook of achteruitbouwstrook.
Rioleringstoets (artikel 4.3.9.,VCRO)
Het adres is gelegen in het centraal gebied volgens de zoneringsplannen van de Vlaamse milieumaatschappij. In het centraal gebied is er in de straat een afvalwaterriolering aanwezig die verbonden is met een operationele waterzuiveringsinstallatie. De lozing van huishoudelijk afvalwater op de riolering gebeurt rechtstreeks, een septische put is mag geplaatst worden. Als Riopact-vennoot is de plaatsing van een septische put in Deerlijk verplicht bij nieuwbouw en verbouwing. Zowel DWA (vuil water) als RWA (regenwater) dienen gescheiden aangelegd tot op de perceelsgrens waarbij alles op 1 punt samenkomt om aan te sluiten op de bestaande gescheiden riolering.
Stikstofdecreet
De impactscore-tool werd op 1 maart 2024 bijgewerkt naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Stikstofdecreet. De herziene impactscore-tool maakt gebruik van de recentste modellen en databronnen zoals vermeld in artikel 3 van het Stikstofdecreet.
Voor omgevingsvergunningsaanvragen waarover beslist moet worden in overeenstemming met de bepalingen van het Stikstofdecreet, moet de impactscore berekend zijn op de wijze bepaald in het Stikstofdecreet. De berekening van de impactscore moet daarvoor gebeuren met deze nieuwe versie van de impactscore-tool.
Art. 2, 41° van het Stikstofdecreet: een vergunningsplichtig project dat geen verkeersdragend infrastructuurproject is en dat stikstofemissiegenererende vervoersbewegingen veroorzaakt, of de wijziging van een dergelijk project.
Art. 2, 40°: vergunningsplichtig verkeersdragend infrastructuurproject: een vergunningsplichtig project met als hoofddoel de mobiliteit wijzigen, waarbij verkeersdragende infrastructuur wordt aangelegd of gewijzigd, waarbij de capaciteit van het verkeer door de wijziging wordt verhoogd.
De bouw van deze polyvalente ruimte bv. is vergunningsplichtig en heeft niet als hoofddoel de mobiliteit te wijzigen maar zal wel stikstofemissiegenererende vervoersbewegingen veroorzaken. Dergelijk project is dan ook een verkeersgenererend project.
De impact van een dergelijke stedenbouwkundige handeling, op vlak van stikstof, zal normalerwijze een impactscore van minder dan 1 hebben. De exacte stikstofscore is niet berekend door de aanvrager.
De afstand tot het dichtstbijzijnde habitatrichtlijngebied ligt ongeveer op ca 1,5 km. Er is volgens de “KDW-kaart vermesting 2024” geen kritische depositiewaarde (KDW) opgenomen voor het betrokken perceel. Gelet op de afstand, afgerond naar 1.500m, zou in worst case, het aantal vervoersbewegingen 9.181.000 moeten overschrijden om de 1 % drempel te overschrijden. Dat komt neer op 25.154 vervoersbewegingen met personenwagens per dag.
Het aantal jaarlijkse vervoersbewegingen wordt voor deze aanvraag lager dan 9.181.000 ingeschat.
Er wordt, naar aanleiding van de gevraagde stedenbouwkundige handelingen, dus geen impact naar stikstof toe verwacht. Het betreft geen vergunningsplichtig verkeersgenererend project waarvan de 1 %-drempel overschreden is.
7.3 Watertoets (decreet integraal waterbeleid)
Hoofdstuk III, afdeling I, artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid (Belgisch Staatsblad 14 november 2003) legt bepaalde verplichtingen op, die de watertoets worden genoemd. Deze watertoets houdt in dat de eventuele schadelijke effecten van het innemen van ruimte ten koste van de watersystemen worden ingeschat.
De omzendbrief OMG/2022/1 ‘Richtlijnen voor de toepassing van een klimaatbestendige watertoets en de vrijwaring van het waterbergend vermogen in signaalgebieden’ reikt richtlijnen aan voor het toepassen van het nieuwe watertoetsbesluit, alsook voor het vrijwaren van watergevoelige gebieden.
Het voorliggend project heeft geen omvangrijke oppervlakte (<0,1 ha).
Het betrokken goed is volgens de fluviale overstromingskaart niet gelegen binnen een overstromingsgevoelige zone. Het betrokken goed is volgens de pluviale overstromingskaart gelegen deels in een zone met kleine overstromingskans en deels in een zone met kleine overstromingskans onder klimaatverandering. Er dringen zich in het kader van de watertoets geen maatregelen op inzake overstromingsvrij bouwen of beperkingen inzake de inname van komberging. Het vloerpeil wordt voorzien op 14,25 m TAW; wat voldoende hoog is.
De aanvraag vraagt een afwijking op de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater voor wat betreft de plaatsing van een hemelwaterput omdat er bijna geen mogelijkheden voor hergebruik zijn in het nieuwe lokaal. De belangrijkste (sanitaire) voorzieningen bevinden zich in het hoofdgebouw. Aangezien de mogelijkheden voor hergebruik beperkt zijn bracht de VMM hiervoor een gunstig advies uit. Gezien hun expertise wordt dit akkoord overgenomen tot het mijne.
Het dakwater van het het nieuwe scoutslokaal watert af naar een wadi (30 cm diep) naast het gebouw. Deze infiltratievoorziening heeft een volume van 4.239 liter en een infiltratieoppervlakte van 16 m² wat ruim voldoende is. De verharding wordt aangelegd in waterdoorlatende materialen of wateren af in de naastliggende onverharde ruimte zodat het water van de verhardingen infiltreert in de bodem.
Bijgevolg kan in alle redelijkheid geoordeeld worden dat het schadelijk effect beperkt zal zijn.
7.4 Mer-screening
De aanvraag valt niet onder de bijlage I of II van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025.
7.5 Natuurtoets
Volgens de natuurtoets blijkt dat geen onvermijdbare schade aan belangrijke natuurwaarden wordt veroorzaakt.
7.6 Erfgoed-/archeologietoets
Niet van toepassing.
7.7 Mobiliteit – MOBER (transport en verkeersveiligheid)
Niet van toepassing.
7.8 Decreet grond- en pandenbeleid
Niet van toepassing.
7.9 Milieuaspecten
Niet van toepassing.
7.10 Goede ruimtelijke ordening
Voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening wordt de aanvraag getoetst aan de hand van de aandachtspunten en criteria zoals vermeld in artikel 4.3.1 § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor zover noodzakelijk en relevant.
Functie:
De nieuw op te richten constructie betreft een multifunctioneel lokaal voor de jeugdbeweging actief op het Gaverdomein. De functie van het bestaande te slopen gebouw wijzigt niet waardoor de aanvraag zich integreert in de omgeving van het Gaverdomein.
Inplanting en ruimtegebruik:
De nieuwe constructie wordt grotendeels ingeplant op dezelfde locatie als de oorspronkelijke constructie. Het nieuwe gebouw is beperkt groter maar blijft compact.
Het gebouw wordt ingeplant conform de voorschriften van het BPA.
Bouwvolume en gabarit:
Het volume van het gebouw sluit qua gabarit aan bij het bestaande te slopen gebouw. Door het voorzien van een lessenaarsdak kan de hoogte van de gevel gericht naar het park beperkt gehouden worden. Het gebouw bevindt zich centraal in het Gaverdomein waardoor geen hinder verwacht wordt voor de omringende gebouwen of percelen.
Het gevraagde is qua volume en gabarit inpasbaar in de betreffende omgeving. Het ontworpen volume is in overeenstemming met de voorschriften van het BPA.
Verschijningsvorm:
De gevels worden afgewerkt met een houten horizontaal of verticaal latwerk in een kwalitatieve duurzame of verduurzaamde houtsoort. Dit betreft een natuurlijk materiaal dat zich maximaal zal integreren in de groene omgeving van het Gaverdomein.
De afstand van het gebouw tot de voorliggende straat is zeer ruim waardoor het ontwerp geen rechtstreekse impact heeft op het straatbeeld. Het gebouw situeert zich wel nabij een wandelpad doorheen het domein maar omwille van de materiaalkeuze en de bijkomende voorziene beplanting zal de visuele impact ook beperkt zijn.
Parkeerplaatsen en verkeersaantrek:
De functie van het bestaande gebouw blijft behouden en de oppervlakte is slechts beperkt groter waardoor bijgevolg geen wijziging van de verkeersaantrek verwacht wordt.
Tijdens de geplande werken kan een toename van de verkeersaantrek verwacht worden. De bouwplaats is voldoende goed ontsloten om deze toename te kunnen opvangen.
Groen- en omgevingsaanleg:
Het licht hellende dak watert af aan noordelijke zijde in een ondiepe natuurlijke infiltratievoorziening (komdiepte max. 30 cm) voorzien van beplanting ter versterking van de ‘oever’ (bv. gele lis, egelskop, mattenbies,etc…). De infiltratie wordt westelijk wat bijkomend uitgebreid ter landschappelijke inpassing van het gebouw in het domein. Ook langs de noordzijde van de wadi worden struiken voorzien. Tegen de oostelijke gevel wordt een klimplant voorzien teneinde ook deze zijde voldoende te laten integreren. Teneinde voldoende garanties te hebben over de realisatie van de groenaanplant die opgelegd te worden dat alle beplanting zoals voorzien in de plannen nieuwe toestand (inplantingsplan en grondplan) gerealiseerd moeten zijn in het eerstvolgend plantseizoen volgend op de uitvoering van de bouwwerken.
De verharding bij het gebouw wordt beperkt gehouden, in die zin dat aan de zuidelijke zijde een terras aangelegd wordt op de plaats van het bestaande terras De geplande verharding wordt voorzien in waterdoorlatende materialen, wat de waterhuishouding ten goede komt.
Conclusie
Het ontwerp kan mits het naleven van de voorwaarden verenigbaar gemaakt worden met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg.
7.11 Resultaten openbaar onderzoek
Niet van toepassing.
7.12 Scheidingsmuren
Niet van toepassing.
7.13 Bespreking adviezen
De uitgebrachte adviezen van AWV en Fluvia zijn gunstig mits naleving van algemene aandachtspunten. Gelet op de expertise van de adviesinstanties dient in de voorwaarden opgenomen te worden dat de algemene aandachtspunten nageleefd moeten worden.
Het advies van de VMM is gunstig en moet bijgevolg niet verder behandeld worden.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 2 Decreet Lokaal Bestuur
● Andere:
○ Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning
○ Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en zijn wijzigingen
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en besluit bijgevolg tot het afleveren van de omgevingsvergunning aan Mattijs Benoit namens BRIC - COLLAGE VZW gevestigd Sint-Amandusstraat 17 te 8540 Deerlijk, voor het bouwen van een nieuw scoutslokaal, op een perceel gelegen Vercruysse de Solartstraat en met als kadastrale omschrijving (afd. 2) sectie C 192 W2, mits te voldoen aan volgende voorwaarde(n):
● Er dient een septische put geplaatst te worden.
● Alle beplanting zoals voorzien op de plannen nieuwe toestand (inplantingsplan en grondplan) moeten gerealiseerd moeten zijn in het eerstvolgend plantseizoen volgend op de uitvoering van de bouwwerken.
● De algemene aandachtspunten geformuleerd in de adviezen van AWV en Fluvia dienen nageleefd te worden.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.20. OMV 2025_152 - 2025025784 - Project Ventilus - advies omgevingsvergunningsaanvraag - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk heeft de adviesaanvraag van het Departement Omgeving, in het kader van de omgevingsaanvraag ingediend door ELIA ASSET, Keizerslaan 20 – 1000 Brussel, ontvangen.
De omgevingsvergunningsaanvraag met nummer OMV_2025025784 werd ingediend op 5 juni 2025 en, samen met de vier andere omgevingsvergunningsaanvragen, ontvankelijk en volledig verklaard op 29 oktober 2025. De adviesaanvraag werd ontvangen op 29 oktober 2025.
De omgevingsvergunningsaanvraag heeft betrekking op diverse percelen en terreinen gelegen langs het tracé vanaf Izegem tot Avelgem.
Het stedenbouwkundige luik omvat het versterken van de bestaande 380kV- hoogspanningsverbinding vanaf het hoogspanningsstation te Izegem tot het hoogspanningsstation te Avelgem.
Er werd door de aanvrager een nieuwe projectinhoudversie ingediend. Deze werd door het Departement Omgeving aanvaard op 2 februari 2026.
Op basis hiervan werd een nieuw openbaar onderzoek georganiseerd en wordt een nieuw advies verleend.
Motivering
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze omgevingsvergunningsaanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het omgevingsvergunningsdecreet, de Vlaamse codex ruimtelijke ordening en de uitvoeringsbesluiten.
De aanvraag wordt als volgt beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen:
OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG
Beschrijving
Voor dit totaalproject werd reeds een ruimtelijk planproces doorlopen. Op 22 maart 2024 heeft de Vlaamse Regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Ventilus’ goedgekeurd, waarin niet alleen het tracé voor de 380 kV-verbinding werd vastgelegd middels een indicatieve overdruk bovenop de geldende bestemming, maar ook de contouren voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation Gezelle, de uitbreiding van het hoogspanningsstation Izegem en de opstijgpunten werden bepaald.
Voor het grondgebied Deerlijk wordt op het plan enkel de symbolische aanduiding ‘Hoogspanningsleiding’ aangebracht.
De voorschriften bepalen:
● In het gebied, aangeduid met deze overdruk, zijn alle handelingen toegelaten voor de aanleg, de exploitatie en de wijzigingen van een hoogspanningsleiding en haar aanhorigheden.
● De aanvragen voor omgevingsvergunningen voor een hoogspanningsleiding en aanhorigheden worden beoordeeld rekening houdend met de in grondkleur aangegeven bestemming.
● De in grondkleur aangegeven bestemming is van toepassing voor zover de aanleg, de exploitatie en wijzigingen van de bestaande hoogspanningsleiding niet in het gedrang worden gebracht.
De aanvraag kadert in het Vlaams gestuurd energietransportproject vanaf de windmolenparken in de Noordzee tot aan het hoogspanningsknooppunt van Avelgem aan de grens met Frankrijk. Daarvoor worden vanaf Zeebrugge tot Avelgem verschillende ingrepen voorzien om dat energietransport mogelijk te maken: de infrastructuur trekt van noord naar zuid door de provincie en vervangt bestaande hoogspanningsleidingen of maakt er nieuwe bij, hetzij bovengronds, hetzij ondergronds. Er is ook voorzien in bijhorende hoogspanningsstations en land- en opstijgpunten voor kabels.
Daarvoor werden meerdere omgevingsvergunningsaanvragen ingediend, afgestemd op de aard van de werken.
De huidige omgevingsvergunningsaanvraag (OMV_2025025784) beoogt de versterking van de bestaande 380 kV-hoogspanningslijn tussen de bestaande hoogspanningsstations van Izegem en Avelgem (IW227). Bij die versterking worden de bestaande masten behouden en de geleiders vervangen. De masten en funderingen worden verstevigd. Op twee locaties (P26 en P55) zal er een nieuwe mast moeten worden gebouwd ter vervanging van de bestaande mast, waarna de oorspronkelijke mast wordt afgebroken.
Het tracé van de te versterken hoogspanningsverbinding loopt over het grondgebied van de volgende gemeenten: Lendelede, Harelbeke, Waregem, Deerlijk, Anzegem, Zwevegem en Avelgem.
Vergunningsplichtige handelingen
De vergunningsaanvraag heeft betrekking op de volgende categorieën van vergunningsplichtige handelingen:
● Het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen (art. 4.2.1 VCRO), met name:
○ BOMEN: hoogstammige bomen vellen die geen deel uitmaken van een bos
○ ONTBOSSEN: te ontbossen zone met boscompensatie
○ LIJN: het vervangen van de geleiders + de versteviging van de masten die niet vervangen worden
○ MAST 26N: nieuw te bouwen mast
○ MAST 55N: nieuw te bouwen mast
○ SLOOP-P26: slopen van de ‘oude’ mast P26
○ SLOOP-P55: slopen van de ‘oude’ mast P55
○ SLOOP-P56: slopen van de ‘oude mast’ P56
○ WERFDEPOT: maximale zone die zal gebruikt worden als depot voor opslag van materiaal voor de werken
○ WATERLOOP: (tijdelijke) werken die moeten uitgevoerd worden aan de geklasseerde onbevaarbare waterlopen om de werfzones, toegangen of werken aan de masten mogelijk te maken.
○ WERFZONE: aanduiding van alle mogelijke werfzones (toegangen, zones rond de masten, trek- en remzones, splice-zones,…).
● Het uitvoeren van vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen (art. 13, §§ 4 en 5 Decreet Natuurbehoud), met name:
○ KLE: alle natuurvergunningsplichtige handelingen aan kleine landschapselementen
○ VEGETATIE-Algemeen: alle natuurvergunningsplichtige vegetatiewijzigingen, behalve aan HPG
Beschrijving van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen of activiteiten
De aanvraag omvat geen ingedeelde inrichtingen of activiteiten (IIOA).
PLANOLOGISCHE CONTEXT
De aanvraag kadert binnen het GRUP Ventilus, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22 maart 2024. Evenwel zijn tegen dit GRUP thans twintig procedures aanhangig bij de Raad van State.
De aanvraag is hoofdzakelijk gelegen binnen het toepassingsgebied van het gewestplan Kortrijk, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 4 november 1977, en voor een beperkt deel binnen het gewestplan Roeselare-Tielt, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 17 december 1979.
Voor het grondgebied van de gemeente Deerlijk is uitsluitend het gewestplan Kortrijk van toepassing. In Deerlijk bevindt de aanvraag zich in de volgende bestemmingsgebieden:
● Woongebieden — De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.
● Woongebieden met een landelijk karakter (aanvullende aanduiding) — De woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven.
● Woonuitbreidingsgebieden — De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor.
● Agrarische gebieden — De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.
● Landschappelijk waardevolle gebieden (aanvullende aanduiding) — De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen.
● Bosgebieden — De bosgebieden zijn de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. De overschakeling naar agrarisch gebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.
● Industriegebieden — Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de ander industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop.
● Gebieden voor milieubelastende industrieën (aanvullende aanduiding) — Deze zijn bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd.
● Reservegebieden voor beperkte industriële uitbreiding — De gebieden die als "reservegebieden voor beperkte industriële uitbreiding" zijn aangeduid, kunnen op initiatief van de Staat, de Provincie, de gemeente of de Vereniging van gemeenten worden bestemd voor de uitbreiding van de bedrijven gevestigd op de terreinen die er onmiddellijk aan palen. De bestemming als in het eerste lid bepaald, kan maar worden verwezenlijkt nadat zij is vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg of overeenkomstig de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie opgemaakt plan dat door Ons is goedgekeurd, en voor zover is aangetoond dat die nieuwe bestemming aan een werkelijke behoefte beantwoordt. Zolang dat bijzonder plan van aanleg of dat plan door Ons niet is goedgekeurd, en aan de gestelde voorwaarde niet voldaan is, mogen in het betrokken gebied slechts werken en handelingen uitgevoerd worden die met de bestemming aangegeven door de grondkleur in het gewestplan, overeenkomen.
OPENBAAR ONDERZOEK
De aanvraag werd van 8 november 2025 tot en met 7 december 2025 aan een openbaar onderzoek onderworpen. De gemeente Deerlijk mocht 26 analoge en 170 digitale bezwaren ontvangen.
De bezwaarschriften tonen duidelijk aan dat er een totaal gebrek is aan draagvlak bij de bevolking, lokale ondernemers en politici.
De bezwaarschriften zijn ontvankelijk.
De bezwaarschriften worden niet-limitatief samengevat voor wat betreft de omgevingsvergunning en MER en handelen over volgende thema’s:
● Gezondheid
In het overgrote deel van de bezwaarschriften wordt gezondheid aangeduid als grootste bezorgdheid.
Meer bepaald wordt gesteld dat het voorzorgsprincipe met de voeten wordt getreden en er onvoldoende rekening wordt gehouden met de schadelijke impact van de elektromagnetische velden op de gezondheid van mensen, in het bijzonder op die van de YOPI-groep (jong, oud, zwanger, immunodeficiënt). Er wordt gevreesd voor een toename aan levensbedreigende ziektes als kinderleukemie door de verhoogde langdurige blootstelling aan de magnetische velden. Er zou onvoldoende (gedegen) onderzoek zijn gevoerd naar haalbare alternatieven die de blootstelling verminderen.
● Waardevermindering van gebouwen
Een veelvoorkomend thema is eveneens de ernstige economische impact van het project voor eigendommen in de omgeving. Bezwaarindieners vrezen voor een waardevermindering of zelfs onverkoopbaarheid van hun woningen en bedrijven, terwijl de compensatie- en uitkoopregeling van de Vlaamse overheid enkel voorziet in gevallen van zichtbelemmering. Honderden betrokken gezinnen ontvangen geen enkele compensatie, omdat hun uitzicht nauwelijks verandert, terwijl de magnetische velden naar verwachting minstens tien keer hoger worden. Er wordt gepleit voor een correcte vergoeding gebaseerd op een onafhankelijke schatting.
● Ontoereikend alternatievenonderzoek
Het Ventilusproject wordt door verschillende bezwaarindieners bekritiseerd, omdat het onderzoek naar alternatieve locaties en technologieën niet op een volwaardige manier is gebeurd. Zo werd het alternatief van gelijkstroom niet volwaardig onderzocht en werd evenmin bekeken of ondergrondse aanleg mogelijk was.
● Afwijken van stedenbouwkundige voorschriften
De aanvraag bevat een verzoek tot (zeer veel) afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften, waarbij Elia zich beroept op Artikel 4.4.7, §2, VCRO, wat toestaat af te wijken voor handelingen van algemeen belang met een ruimtelijk beperkte impact. De bezwaarmakers stellen echter dat de realisatie van een hoogspanningslijn, inclusief de oprichting van nieuwe masten en de inrichting van veel werfzones, bezwaarlijk gekwalificeerd kan worden als een project met een ruimtelijk beperkte impact. Bovendien ontbreekt in het aanvraagdossier de nodige motivatie om die beperkte impact aan te tonen.
● Waterhuishouding
De bezwaren richten zich op de mogelijke milieuvervuiling tijdens de aanleg van de infrastructuur. Bezwaarmakers uiten de bezorgdheid over de mogelijke negatieve impact van het project op de lokale waterhuishouding, met name het risico op wateroverlast door een toename van verharde oppervlakken. Elia heeft een afwijking gevraagd van de geldende wetgeving, zodat verontreinigd bemalingswater jarenlang in lokale grachten en kanalen mag worden geloosd vanwege de hoge kosten van waterfiltering. Dit water bevat een te hoge concentratie PFOS en zware metalen en de lozing wordt als volledig onverantwoord beschouwd, omdat ze lokale bodemvervuiling verspreidt over reeds sterk vervuilde waterlopen.
● Groenbuffer
De bezwaren richten zich op de impact van het project op groenbuffers en de noodzakelijke verwijdering van bomen en planten om veiligheidsredenen. Voor de aanleg van de bovengrondse hoogspanningsverbinding moeten vele bomen en planten worden verwijderd, vooral in het traject van de lijnen om overslag door het elektrisch veld te voorkomen, wat kortsluiting of brand kan veroorzaken. Na de installatie geldt bovendien een hoogtebeperking voor bomen in de omgeving om de minimale veiligheidsafstand te waarborgen.
De huidige aanvraag toont daarnaast aan dat vogels en bomen in het project blijkbaar belangrijker worden geacht dan de gezondheid en het leefmilieu van duizenden betrokken mensen.
● Geluidsoverlast
In een aantal bezwaarschriften wordt tevens geluidshinder aangekaart, onder meer bij vochtig weer. Men maakt zich in het bijzonder zorgen over de corona-ontlading op de nieuwe lijnen. De geluidshinder zal een negatieve impact hebben op het gebruiksgenot en onder meer leiden tot verhoogde stress, in het bijzonder bij de YOPI-groep.
● Toename verkeersdrukte
Meerdere bewoners stellen dat het huidige wegennet in de omgeving reeds overbelast is en dat het project zal leiden tot een verdere toename van het verkeer, waardoor aanpassingen aan de infrastructuur noodzakelijk zijn.
Tevens wordt er gevreesd voor een toename van zoekverkeer en parkeeroverlast in de omliggende straten door het gebrek aan voldoende parkeerplaatsen binnen het project.
● Misleidende en ontbrekende informatie in het dossier
Bezwaarmakers stellen dat in het dossier essentiële informatie ontbreekt of dat er tegenstrijdige gegevens zijn opgenomen, waardoor een correcte beoordeling van het project wordt bemoeilijkt. Zo wordt de informatie over de belasting van 30 % in het MER onduidelijk genoemd.
● Project niet toekomstgericht
Er wordt aangevoerd dat het project onvoldoende rekening houdt met klimaatbestendigheid en toekomstige noden op het vlak van duurzaamheid en energiezuinigheid. Ondergrondse verbindingen zijn meer bestand tegen toekomstige klimaatverandering, hebben minder gezondheidsrisico’s en zorgen voor minder transportverliezen.
● Onterechte opsplitsing in vijf afzonderlijke omgevingsvergunningsaanvragen van het volledige project
● Negatieve impact op de lokale ecologie en biodiversiteit door mogelijke ontbossing
De bezwaren zijn afkomstig van heel wat bewoners en toont aan dat er weinig draagvlak is voor het bovengrondse project bij de inwoners van de gemeente.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij deze bezwaren.
Na de afloop van het openbaar onderzoek, nam de aanvrager de tijd om de adviezen en de bijkomende vragen te analyseren en werd door de grote hoeveelheid aan inspraakreacties (zo een 2.500-tal) en de talrijke adviezen beslist om het dossier aan te passen en te verduidelijken waardoor de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag met 60 dagen wordt verlengd.
Na wijzigingen door indiening van een nieuwe projectinhoudversie dd. 30 januari 2026 werd een nieuw openbaar onderzoek georganiseerd van 6 februari 2026 tot en met 7 maart 2026, waarbij iedereen opnieuw vragen, suggesties, bezwaren kan indienen en de mogelijkheid krijgt de aanpassingen te bekijken en een nieuwe inspraakreactie kan indienen. Er werd duidelijk gecommuniceerd dat de inspraakreacties die tijdens het eerste openbaar onderzoek werden ingediend, geldig blijven en blijvend worden meegenomen in de beoordeling door de vergunningverlenende overheid.
Naar aanleiding van dit tweede openbaar onderzoek werden er 17 bijkomende digitale en 8 bijkomende analoge bezwaarschriften ingediend. Inhoudelijk richten deze bezwaarschriften zich op hetzelfde als voorheen.
● Hierbij wordt nogmaals de nadruk gelegd op de bezorgdheden rondom gezondheid. Mensen missen garanties op de gezondheidsveiligheid van dit project.
● Er wordt aangehaald dat destijds voor de bestaande lijn die destijds werd aangelegd boven hun woning nooit een compensatie was voorzien.
● De grotere diameter van de kabels zal grotere kegelvorming veroorzaken in de winter. In het verleden was er al schade aan het dak door vallende kegels. De grotere diameter zorgt ook voor verminderde capaciteit van zonnepanelen die op die daken liggen.
● Bezwaarschriften van +- 120 pagina’s werd ingediend, waarbij bezwaarschrift van eerste openbaar onderzoek volledig werd hernomen. Samengevat spreekt dit bezwaarschrift onder andere over: het gebrek aan zelfstandig alternatieven-onderzoek op projectniveau, ondergrondse HVDC is toch bewezen technologie en dus mogelijk, de plandoelstellingen duiden op een voorafname op de uiteindelijke beslissing, saucissonnering wordt aangehaald, het verdrag van Aarhus werd geschonden wegens geen publieke participatie in de scopingsfase, de omgevingsvergunning is onuitvoerbaar zolang de domeinvergunning niet is verkregen, het GRUP is momenteel nog aangevochten bij de Raad van State zodat vergunning rechtsonzekerheid met zich meebrengt zolang daar geen uitspraak in is, er wordt misleidend geoordeeld dat de afbraak po verschillende plaatsen van de bestaande lijn een voordeel is, maar alle nieuwbouw wordt telkens zonder nadeel beoordeeld, er zijn in het eerste openbaar onderzoek 2.514 bezwaarschriften ingediend en de wijzigingen zijn miniem, het gaat om kleinere zaken cosmetische wijzigingen, er is discriminatie bij milderende maatregelen en dus schending van het gelijkheidsbeginsel, de plannen en documenten zijn ontoegankelijk en te complex en niet-downloadbaar wat voor veel burgers een participatiedrempel veroorzaakt, de werkelijke netbelasting weerlegt de noodzaak van het project, het stand stil beginsel wordt geschonden omdat hetbovengrondse net wel degelijk wordt uitgebreid, het alternatievenonderzoek is structureel ongeldig, het project is een precedent voor verdere industrialisatie van de open ruimte, het MER kent aan alle stressoren een score toe behalve aan de elektromagnetische velden, de milderende maatregelen zijn niet afdwingbaar, het voorzorgbeginsel wordt niet correct toegepast, effectscores in het MER zijn systematisch te laag, adviesinstanties formuleren ernstige voorbehouden en voorwaarden die niet zijn nagekomen, het MER berekent de 0,4µT contour bij een jaargemiddelde belastingsfactor van maar 30% van de ontwerpcapaciteit en presenteert dit zelfs als overschatting, maar er wordt op geen enkele manier rekening gehouden met de worst-case scenario, het MER steunt op achterhaalde wetenschap van 2015 zonder recente wetenschap 2021-2025 erbij te betrekken, corona-ionen en geladen fijnstof wordt niet meegenomen in het MER als mogelijk gezondheidsrisico, etc.
● De verwijzing naar de onzekere rechtsgrond GRUP Ventilus (wegens procedure RvS) komt verschillende keren terug.
● Saucissonnering komt ook verschillende keren terug, gelet op de onterechte opsplitsing van de omgevingsvergunningsaanvraag.
● Er zouden ongeoorloofde afwijkingen zijn van de stedenbouwkundige voorschriften,
● Schending van artikel 8 EVRM wordt aangehaald wegens de ligging van gezinswoningen binnen de gevaarlijke contouren met ernstige hinder en gezondheidsrisico’s.
● De aanvraag vertrekt vanuit foutieve uitgangspunten.
● Er werd niet nagekeken wat de impact van Ventilus is op andere elektronische apparatuur zoals elektrische wagens.
● Conclusies die ongunstig waren voor de aanvrager, zijn verwijderd uit het MER.
Gezien voor het ganse project reeds voor het tweede openbaar onderzoek 2.500-tal bezwaarschriften en inspraakreacties werden ingediend, blijkt dat niet alleen heel wat inwoners van de gemeente Deerlijk, maar heel wat inwoners van over gans West-Vlaanderen bezwaar hebben tegen het voorziene Ventilus project, waardoor over gans West-Vlaanderen weinig draagvlak blijkt te zijn voor het bovengrondse project.
Het college van burgemeester en schepenen sluit zich opnieuw aan bij deze bezwaren.
Op 11 maart 2026 werd door de stad Brugge samen met het departement en de aanvrager een informatievergadering georganiseerd.
Informatievergadering Hoogspanningsstation Gezelle
De stad Brugge organiseert samen met de exploitant en het Departement Omgeving (als vergunningverlenende overheid) een digitale informatievergadering over de aanvraag voor het Hoogspanningsstation Gezelle op 11 februari 2026. Tijdens de informatievergadering worden de procedure, de inhoud van de omgevingsvergunningsaanvraag en het MER (milieueffectrapportage) toegelicht.
De informatievergadering start om 19.00u en loopt tot 21.00 u. Inschrijven is noodzakelijk. Dat kan tot 11 februari, 11 uur, via het formulier op de website van de stad Brugge. Wie ingeschreven is, ontvangt op 11 februari in de namiddag een e-mail met een link om in te loggen in de informatievergadering
Persinfo:
Ann Heylens
Woordvoerder Departement Omgeving
0473 34 45 33
ann.heylens@vlaanderen.be
Het organiseren van een informatievergadering vloeit voort uit de bepalingen van art. 25 van het Omgevingsvergunningsbesluit:
“Artikel 25. ( 23/10/2020 - ... )
§ 1. Tijdens de eerste twintig dagen van het openbaar onderzoek organiseert de gemeente, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de exploitatie van in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten die een project-MER of een OVR omvatten.
Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.e§ 2. In afwijking van paragraaf 1 organiseert de provincie, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten als die een project-MER of een OVR omvat, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.
Als het voorwerp van die vergunningsaanvraag in twee of meer provincies uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.r§ 3. De gemeente respectievelijk de provincie nodigt de volgende personen of instanties analoog of digitaal uit voor de informatievergadering :
1° de vergunningsaanvrager;
2° het bevoegde bestuur;
3° de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3;
4° de voorzitter van de POVC of van de GOVC als de deputatie, respectievelijk de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.
Op de informatievergadering, vermeld in paragraaf 2, worden ook de colleges van burgemeester en schepenen van het grondgebied waarop de exploitatie plaatsvindt, door de provincie uitgenodigd.w§ 4. Een lid van het bevoegde bestuur zit de informatievergadering voor. De vergunningsaanvrager of zijn afgevaardigde geeft op die vergadering een toelichting over de vergunningsaanvraag en beantwoordt vragen. Een lid van de gemeente respectievelijk de provincie of een afgevaardigde ervan stelt een verslag van de vergadering op.
§ 5. De gemeente kan, in samenspraak met de aanvrager en in voorkomend geval het bevoegd bestuur, beslissen om de informatievergadering via elektronische middelen te houden. In afwijking van paragraaf 1, wordt dergelijke informatievergadering georganiseerd tijdens de eerste tien dagen van het openbaar onderzoek.
De toelichting over de vergunningsaanvraag blijft digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. Wordt een informatievergadering via elektronische middelen gehouden, kunnen vragen gesteld worden tot vijf dagen na de informatievergadering en worden door de aanvrager antwoorden gegeven uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van het openbaar onderzoek. Vanaf het ogenblik van beantwoording zijn vraag en antwoord digitaal publiek beschikbaar minstens tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek. De vragen en antwoorden die op deze manier behandeld worden, worden mee opgenomen in het verslag van de vergadering, bedoeld in paragraaf 4.
Burgers kunnen de toelichting van de digitale informatievergadering en de digitale antwoorden tijdens het openbaar onderzoek raadplegen bij de betrokken gemeente.”
Het valt te betreuren dat deze informatievergadering heel beperkt werd gehouden en enkel de wijzigingen van Gezelle te Brugge besprak. Terwijl heel veel burgers verspreid over West-Vlaanderen, maar zeker ook in die gemeentes waar de Ventilus lijn wordt aangevraagd evenveel aanspraak zouden moeten kunnen maken op de mogelijkheid om de wijzigingen tussen voorliggende projectinhoudversie en de vorige uiteengezet te krijgen. Nu wordt er van de burgers verwacht dat zij opnieuw de 1000den bladzijden aan informatie doornemen om de wijzigingen te vatten. Een huzarenwerkje dat zelfs middels highlighting door de tekst niet evident is voor burgers om dit eventjes te doen in hun vrije tijd. Een informatievergadering die slechts een deel van de aanvraag behandelt, is niet conform de regelgeving en de draagwijdte van het inspraakrecht. De informatieplicht slaat op het volledige project waarvoor vergunningsaanvraag werd ingediend.
Het beperken van de informatievergadering tot slechts een deel van de vergunningsaanvraag kan inderdaad een schending betekenen van meerdere beginselen van behoorlijk bestuur.
● Beginsel van transparantie: Het publiek moet volledig geïnformeerd worden over de vergunningsaanvraag. Door slechts een deel toe te lichten, wordt de transparantie over het project en de mogelijke gevolgen beperkt. Dit schaadt het recht van burgers om zich volledig en correct te informeren en om gericht opmerkingen te formuleren.
● Beginsel van motivering: Een overheid moet haar besluitvorming zorgvuldig motiveren. Als niet alle onderdelen van een vergunningsaanvraag besproken worden, ontbreekt een volledige motiveringsgrond en kan de procedurele volledigheid in het gedrang komen.
● Beginsel van inspraak/burgerparticipatie: Het omgevingsvergunningsbesluit (art. 25 BVR) voorziet expliciet een inspraak- en informatieprocedure over de volledige aanvraag. Een deels gedimensioneerde informatievergadering beperkt de mogelijkheid van het publiek om ten volle deel te nemen aan het openbaar onderzoek.
● Beginsel van gelijkheid en non-discriminatie: Door slechts bepaalde delen van een aanvraag toe te lichten, worden sommige betrokkenen mogelijk benadeeld ten opzichte van anderen, afhankelijk van welk deel besproken wordt.
ADVIEZEN
De adviezen werden ingewonnen door de vergunningverlenende overheid.
Naar aanleiding van de omgevingsvergunningsaanvraag werd advies gevraagd dd. 29 oktober 2025 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk. De termijn liep tot 23 december 2025.
Het eerste advies werd ingediend op 22 december 2025.
Naar aanleiding van het tweede openbaar onderzoek werd opnieuw advies gevraagd door de vergunningverlenende overheid op 11 februari 2026 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk. De termijn loopt tot en met 13 maart 2025.
Onderhavig advies is het advies dat naar aanleiding van dit tweede openbaar onderzoek tijdig wordt ingediend en het eerste advies herneemt en verder aanvult rekening houdend met de aanpassingen en de procedure van het tweede openbaar onderzoek.
PROJECT-MER
Er werd voor het overkoepelend geheel van alle omgevingsvergunningsaanvragen die gelinkt zijn aan het Ventilusproject een apart MER-dossier opgemaakt. Het gemeentebestuur van Deerlijk heeft hierover op 3 december 2025 een ongunstig advies verleend dat werd overgemaakt aan het Departement Omgeving, Team Omgevingseffecten – Milieueffectrapportage.
BEOORDELING
Naar aanleiding van de omgevingsvergunningsaanvraag werd advies gevraagd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Deerlijk.
Het college wijst erop dat eerder, bij besluit d.d. 3 december 2025, reeds een ongunstig advies werd uitgebracht met betrekking tot het project-MER. Op basis van diverse overwegingen kwam het college tot de conclusie dat het project-MER tekortschiet. De inhoud van het project-MER-advies blijft onverkort van toepassing en maakt integraal deel uit van onderhavig advies.
Het college stelt ernstige vragen bij de inpasbaarheid van het project met betrekking tot de waterhuishouding, in het bijzonder de ligging in overstromingsgevoelig gebied. Uit het inzageloket OMV blijkt dat het projectgebied zowel pluviale als fluviale overstromingsgevoelige zones doorkruist, onder meer ter hoogte van de Leie, Hazebeek, Gaverbeek, Slijpbeek, Kasselrijbeek, Bovenschelde en Rijtgracht. Ook langsheen kleinere waterlopen doet zich over het volledige tracé een verhoogd risico voor.
Er is onvoldoende onderzocht of het project schadelijke effecten zal veroorzaken, zoals een verhoogd overstromingsrisico, wateroverlast of een verstoring van het grondwaterpeil (op grond van artikel 1.3.1.1 Decreet Integraal Waterbeleid). Voor het traject Izegem–Avelgem betreft het project de versterking van 41 masten, hetgeen ingrijpende funderingswerken en de bijbehorende bemaling noodzakelijk maakt. Deze ingrepen brengen reële risico’s mee voor de waterhuishouding en de bodemstabiliteit, waardoor een zorgvuldige toetsing aan het Decreet Integraal Waterbeleid en de verplichtingen van de watertoets onontbeerlijk is.
Hoewel theoretisch mitigerende maatregelen bestaan, zoals overstromingsveilig bouwen en aangepaste werftechnieken, is in de aanvraag onvoldoende aangetoond dat deze maatregelen effectief, toepasbaar en afdoende zijn om de risico’s te neutraliseren. De loutere stelling dat het een versterking betreft van een bestaande 380 kV-verbinding volstaat niet om de verplichtingen van de watertoets te omzeilen, aangezien de geplande werkzaamheden en ingrepen wél impact kunnen hebben op de waterhuishouding.
Gelet op de ligging in overstromingsgevoelig gebied, de vastgestelde risico’s en de onvoldoende onderbouwde garanties dat waterhuishoudkundige schade kan worden vermeden, kan de aanvraag niet als verenigbaar worden beschouwd met het Decreet Integraal Waterbeleid. Daarom formuleert het college een negatief advies.
Het principe van goede ruimtelijke ordening is verankerd in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO). Dit principe vereist dat de ruimte wordt beheerd ten behoeve van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van verschillende maatschappelijke activiteiten tegen elkaar afgewogen, met aandacht voor ruimtelijke draagkracht, leefmilieu, en culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Het doel is het nastreven van ruimtelijke kwaliteit.
Krachtens artikel 4.3.1, § 1, 1°, d) VCRO dient een vergunningsaanvraag te worden geweigerd als het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt rekening gehouden met de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 van de VCRO. Het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van de aanvraag rekening met de in de omgeving bestaande toestand. De ‘onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening’ is een voldoende draagkrachtig motief om een weigering van de vergunning te verantwoorden.
In dit gevaldient men vast te stellen dat het aangevraagde strijdig is met de goede ruimtelijke ordening en dus niet voor vergunning in aanmerking kan komen op basis van de hierna genoemde overwegingen.
● Functionele inpasbaarheid
De versterking van de bestaande hoogspanningslijn leidt ertoe dat het aangevraagde project niet functioneel inpasbaar is binnen de huidige ruimtelijke context. Ondanks het beperkte visuele verschil brengt de verhoging van de capaciteit en de bijhorende technische aanpassing een verhoogde blootstelling aan elektromagnetische velden met zich mee, waardoor woningen binnen verhoogde blootstellingszones komen te liggen. Uit de lokale ruimtelijke draagkracht blijkt dat dit leidt tot een disproportionele aantasting van het woon- en leefklimaat.
● Mobiliteitsimpact
Wat betreft de voorziene werken aan de bovengrondse hoogspanningslijn, stelt de aanvraag dat de impact nagenoeg verwaarloosbaar is. Hoewel de werfzones op zich inderdaad verder van de rijbaan liggen en daardoor geen directe onderbreking van het verkeer veroorzaken, is deze conclusie onvoldoende onderbouwd.
De aangeleverde raming van maximaal vijftig verkeersbewegingen per dag lijkt op zich beperkt, maar deze inschatting houdt geen rekening met de lokale context: smalle wegen en beperkte uitwijkmogelijkheden.
De nota geeft aan dat de werken drie jaar zouden duren. Het lijkt weinig aannemelijk dat de bouw van het gehele traject op drie jaar zou geklaard zijn.
Hoe dan ook, ontbreken voldoende duidelijkheid en maatregelen inzake verkeersveiligheid. Gedurende (minstens) drie jaar zullen de werfzones zwaar verkeer genereren. Er ontbreken voldoende maatregelen om de verkeersveiligheid te garanderen.
De vergunningsaanvraag houdt bovendien onvoldoende rekening met de reeds geplande ontwikkeling in de omgeving. Er is een omgevingsvergunning aangevraagd/verleend voor de aanleg van een carpoolparking in dit gebied. Het Ventilusproject mag de uitvoering, de functionaliteit en de bereikbaarheid van deze carpoolparking geenszins in het gedrang brengen.
● Visuele hinder
De aanvraag betreft grotendeels het behoud van de bestaande hoogspanningsinfrastructuur, mits aanpassingen aan de funderingen en aan de zgn. portieken waar de nieuwe kabels aan zullen worden opgehangen. Voor de uitvoering worden tijdelijke werfzones aangemaakt die na afloop weer zullen worden verwijderd.
Op het moment van de aanvraag is het landschap en het woongebied waar het hoogspanningstracé overloopt reeds in grote mate aangetast.
Het is dan ook een gemiste kans dat voorliggende aanvraag niet voorziet hierin een enige verandering te brengen. Integendeel, voorliggende aanvraag voorziet de bestendiging van de aantasting van het landschap. Een dergelijke invulling kan niet aanschouwd worden als een toonbeeld van goede ruimtelijke ordening.
● Geluidshinder
Naast de visuele hinder is er ook de bewezen geluidshinder. Het is gekend dat hoogspanningslijnen onder invloed van weersomstandigheden geluid produceren. Bij vochtig of mistig weer wordt dit door omwonenden beschreven als een zacht geknetter (hissing) en ook de wind die door de lijnen speelt veroorzaakt gerucht. Vooral ’s nachts, wanneer andere achtergrondgeluiden verdwijnen, blijven de pylonen ook -hoewel onzichtbaar- duidelijk aanwezig. Voor aanpalenden is dit storend en kwalijk voor de leefkwaliteit.
Het geluid van de nieuwe HTLS-geleiders, dat geknetter en gebrom kan veroorzaken, is onbekend maar wordt zonder bewijs als onbelangrijk beschouwd.
Binnen het Ventilusproject wordt de bestaande 380 kV-verbinding tussen Izegem en Avelgem ingrijpend versterkt: de transportcapaciteit stijgt van 3 GW naar 6 GW over circa 22,8 km. Voor Deerlijk betekent dit dat boven het gemeentelijk grondgebied een infrastructuur wordt uitgebouwd die verschilt van de bestaande situatie, zowel in vermogen, spanning als in verwachte belasting.
In Izegem wordt tegelijkertijd een volledig nieuw 380 kV-hoogspanningsstation opgericht, met bijkomende shuntreactoren, een zesde 380/150 kV-transformator en nieuwe ondergrondse kabelverbindingen. Het bestaande 380 kV-station wordt afgebroken en vervangen door een volwaardige AIS-installatie. Die nieuwe configuratie moet een grotere koppeling tussen het 150 kV- en 380 kV-net realiseren en heeft als doel de sterk stijgende elektrificatienoden in de regio op te vangen. In de beschrijving wordt benadrukt dat de uitbreiding noodzakelijk is om de toekomstige belasting van het net te kunnen dragen en een hoge beschikbaarheid te garanderen.
De capaciteitsverhoging en de uitbreiding van het station in Izegem beïnvloeden het hele traject van de hoogspanningslijn. Omdat die lijn door Deerlijk loopt, krijgt Deerlijk daar automatisch mee te maken. Toch blijft de aanvraag stil over de daadwerkelijke stromen die in de toekomst door die lijn zullen lopen.
Er wordt gerekend met een jaargemiddelde belasting van 30 % van de ontwerpcapaciteit (dus circa 1,8 GW), waarbij men zelf erkent dat dit een overschatting is. Dat betekent dat de milieueffecten, inclusief magnetische velden, enkel beoordeeld worden op een scenario dat lager ligt dan de technisch maximaal mogelijke belasting. Hoewel het logisch is dat de ontwerpcapaciteit in een betrouwbaar transmissienet niet continu benut wordt, betekent de keuze om enkel een 30 %-scenario te evalueren dat de echte impact bij hogere benuttingen volledig buiten beeld blijft. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de ontwerpcapaciteit van 6 GW expliciet wordt gerechtvaardigd door noodscenario’s, maar de aanvraag niet beschrijft hoe vaak dergelijke incidenten zich statistisch kunnen voordoen.
Opvallend is ook dat de ontwerpcapaciteit aanzienlijk hoger ligt dan de gemiddelde belasting die Elia inschat in realistische scenario’s (25,8–28,5 %) voor de Ventilus-as. Vanuit technisch oogpunt kan die reserve worden verklaard door noodscenario’s, veiligheid en importpieken via interconnecties, maar vanuit omgevingsperspectief impliceert dat wel dat de maximale impact van de infrastructuur niet geanalyseerd is. De lijn is immers ontworpen om 6 GW te transporteren, hoewel het huidige hoogspanningsstation 1 GW activiteit heeft en maximaal 3 GW kan worden getransporteerd. Door geen vergelijking te maken tussen historische, huidige en toekomstige benutting wordt de aard van de verandering onvoldoende gekwantificeerd, wat objectieve milieubeoordeling bemoeilijkt.
Daarnaast is er geen enkel kwantitatief inzicht beschikbaar over hoeveel extra stroom daadwerkelijk via de verbinding Izegem-Avelgem zal stromen na de uitbreiding van het station in Izegem. De documenten geven immers aan dat het nieuwe station en bijkomende transformator expliciet worden gerealiseerd om stroomverdeling en betrouwbaarheid te verbeteren, maar nergens wordt verduidelijkt welke reële volumetoenames op de lijn die onder meer door Deerlijk loopt mogen worden verwacht.
Die lacune creëert onzekerheid voor Deerlijk: zonder inzicht in de feitelijke toekomstige belasting kan niet worden beoordeeld welke gevolgen de verdubbeling van de transportcapaciteit en de uitbreiding van het station zullen hebben voor mens en milieu, zoals magnetische velden, geluid, ruimtelijke hinder of cumulatieve impact.
De aanvraag vertrekt van hypothetische aannames, maar niet van concrete cijfers van potentiële toekomstige stromen — een cruciaal element voor een correcte beoordeling van de omgevingsimpact in dichtbevolkt gebied.
● Magnetische velden
Op grondgebied van gemeente Deerlijk is reeds elektromagnetische blootstelling aanwezig van de bestaande 150 kV lijn die niet zal worden ondergronds geplaatst en er daarbij een lijn van 380 kV wordt toegevoegd met dus een bijkomende elektromagnetische blootstelling bovenop de reeds aanwezig. De gemeente Deerlijk betreurt dat hier geen verder onderzoek naar werd gedaan nu gekend is welke masten er gebruikt zullen worden en hoe het project zou worden uitgevoerd (doch ongekend hoe hoog de geleiders zullen hangen en hoe de contouren van het stralingsveld werd berekend en wat de impact van die hoogte is op het stralingsveld). Pas nadat deze opmerking herhaaldelijk werd gemaakt, werd in de aangepaste projectinhoud die aanleiding gaf tot dit tweede openbaar onderzoek toegevoegd dat men gebruikmaakte van twee implementaties van een rekenmodel voor de berekening van magnetische velden. Daarbij werd erkend dat de 0,4 µT-contour tussen twee masten niet overal dezelfde is, omdat de hoogte van de geleiders door de doorhang varieert. Toch blijft onduidelijk hoe hoog de geleiders in werkelijkheid hangen of zouden moeten hangen, en welke breedte van het magnetische veld daaruit volgt.
Het project voorziet in hoogspanningslijnen die elektrische en magnetische velden met een extreem lage frequentie (50 Hz) veroorzaken. Elektrische velden worden in normale omstandigheden afgeschermd en vormen, zolang de wettelijke norm van 5 kV/m wordt gerespecteerd, geen gezondheidsrisico.
Magnetische velden daarentegen dringen wel door materialen heen en kunnen het menselijk lichaam bereiken. Voor acute blootstelling geldt in Vlaanderen een strikte norm van 100 µT, die nooit mag worden overschreden. Voor chronische blootstelling bestaat een statistisch verband tussen jaargemiddelde waarden boven 0,4 µT en een verhoogde kans op kinderleukemie.
In de geplande toestand zullen er in totaal 687 woningen en 81 onbebouwde bouwpercelen binnen de 0,4 µT contour liggen over het gehele tracé Izegem-Avelgem (IW227). Het project voldoet volgens de initiatiefnemer aan het “Convenant tussen het Vlaamse Gewest en de netbeheerder van hoogspanningsnetwerken in Vlaanderen, Elia Transmission Belgium”. Daardoor zouden geen bijkomende maatregelen of aanbevelingen nodig zijn. Nochtans bestaat er een statistisch verband tussen langdurige blootstelling aan magnetische velden boven 0,4 µT en een verhoogde kans op kinderleukemie. Dat verband vormt de basis voor het bestaande voorzorgbeleid zoals vastgelegd in het afsprakenkader.
Hoewel monitoring van zowel real-time waarden als jaargemiddelden wordt voorzien en de resultaten op de website van het Departement Omgeving zullen worden gepubliceerd, blijft het onduidelijk hoe dit concreet bijdraagt tot het respecteren van het voorzorgsprincipe. De afspraken worden bovendien slechts globaal benoemd en niet gemotiveerd in functie van het convenant.
De aanvraag herhaalt grotendeels de eerdere algemene opmerkingen uit het GRUP Ventilus: de blootstelling wordt beperkt, het convenant wordt nageleefd en monitoring zal plaatsvinden. Een inhoudelijke motivering of berekening ontbreekt en het blijft onduidelijk hoe de naleving van het convenant precies wordt aangetoond.
Het blijft essentieel dat zowel bestaande als nieuwe kinderopvangen, scholen en woningen beschermd worden tegen langdurige blootstelling boven 0,4 µT. Niet alleen kinderen die verblijven in een kinderopvang, maar ook de kinderen binnen gezinnen die momenteel reeds onder de bestaande hoogspanningslijn wonen, dienen beschermd te worden. De gezondheidsrisico’s zijn logischerwijze hetzelfde.
De berekening van de 0,4 µT-contour die de chronische blootstellingsrisico's definieert is gebaseerd op een jaargemiddelde belasting van 30 % van de maximale ontwerpcapaciteit (6 GW).
Hoewel de 30 %-belasting wordt gebruikt als een 'overschatting' of 'worst-case' van de huidige modelberekeningen (die op 28,5 % uitkomen voor het 8 GW-scenario), is de snelheid waarmee de elektrificatie in de toekomst zal toenemen "nog ongekend". Aangezien de lijn nu technisch is uitgerust om 6 GW te transporteren, bestaat het risico dat de werkelijke toekomstige jaargemiddelde belasting hoger kan liggen dan de vastgestelde 30 % van de ontwerpcapaciteit. Dat betekent dat de effecten van de verhoogde capaciteit op de omgeving – en met name de omvang van de 0,4 µT-contour – op lange termijn onvoldoende in kaart zijn gebracht en de risicobeoordeling op een onzekere aanname rust.
Bovendien kan ook de wijze waarop de 0,4 µT-stralingscontouren zijn berekend ernstig in vraag worden gesteld. Het project-MER geeft niet aan op welke hoogte de geleiders zich bevinden op de verschillende punten van het tracé, ook niet met de aanvullingen in de nieuwe projectinhoudversie die verwijzen naar de impact van de hoogte van de geleiders op de contouren van de 0,4 µT magnetische velden.
Het bleek nochtans duidelijk uit het GRUP Ventilus dat de contouren afhankelijk zijn van de hoogte van de masten én de hoogte van waar de hoogspanningslijnen gehangen worden ten opzichte van de grond. In het GRUP Ventilus lag nog niet vast welke masten er zouden worden gebruikt en welke hoogtes die masten zouden hebben of op welke hoogte de geleiders zouden hangen, terwijl dit net cruciaal is om te kunnen inschatten waar de 0,4 µT contouren gelegen zijn en wat de precies impact ervan is van die blootstelling. In voorliggende aanvraag wordt geopteerd voor bepaalde types masten (zie hoger), en wordt eindelijk de hoogte ervan vermeld, maar die informatie is onvolledig om de magnetische veldsterkte betrouwbaar te berekenen.
Bij een bovengrondse hoogspanningslijn is het net de variabele doorhang van de kabels die bepaalt hoe hoog de geleiders boven de grond hangen. Dicht bij een mast hangen de geleiders hoger waardoor er een smallere 0,4 µT-contour is.
Tussen twee masten, waar de doorhang het grootst is, hangen de geleiders lager, waardoor de 0,4 µT-contour breder is. Het MER legt echter niet uit hoe men heeft berekend waar de contouren gelegen zijn en van welk vertrekpunt aan hoogte men is uitgegaan. Ondertussen werd wel uitleg gegeven over de berekeningswijze, maar nog steeds niet van welke hoogte men is vertrokken of welke hoogtes de geleiders hangen in de verschillende zones in het project. Dat is nochtans belangrijk, want als de geleiders lager hangen, ziet het magnetisch veld er anders uit (groter/kleiner) en kan deze meer impact hebben op de menselijke gezondheid. Omdat de hoogte van de geleiders constant verandert, kan men niet volstaan met één enkele afstand waarbinnen de 0,4 µT-contour reikt. Die afstand is immers verschillend van plek tot plek.
Het MER verwijst naar bijlage 13.1, waarin per zone de 0,4 µT-contour wordt weergegeven, maar zonder transparantie over de gebruikte parameters, zoals bijvoorbeeld de exacte hoogte van de geleiders op elk punt, is niet controleerbaar hoe de contour werd berekend en of de weergegeven zones wel overeenstemmen met de werkelijke elektromagnetische blootstelling.
Doordat de aanvraag geen duidelijkheid verschaft over de hoogte en positie van de geleiders, is de methode voor de berekening van de 0,4 µT-contour onvoldoende transparant en onvoldoende onderbouwd.
Het voorzorgsprincipe omtrent de 0,4 µT wordt door de Belgische Hoge Gezondheidsraad nochtans expliciet geformuleerd als “Ondanks het onzekere effect raadt de Hoge Gezondheidsraad (advies nr. 9432-2020) uit voorzorg aan om kinderen onder 15 jaar niet bloot te stellen aan waarden boven de 0,4µT (gemiddeld over een lange periode).” Voorzichtigheid is dus niet louter een beleidskeuze maar een wetenschappelijk onderbouwde aanbeveling. Het volstaat niet om blootstelling “zoveel mogelijk te vermijden”: de norm van 0,4 µT dient effectief te worden gerespecteerd en toch blijft de initiatiefnemer zich louter beperken tot het “zoveel mogelijk vermijden”. Er kan dan ook niet worden verantwoord dat een hoogspanningsmast wordt versterkt, dat de transportcapaciteit wordt verdubbeld en dat er geen bijkomend onderzoek werd gedaan naar de contouren van de 0,4 µT of mogelijke verdubbeling van de blootstelling nu de transportcapaciteit werd verdubbeld en de exacte inrichting van het project gekend zou moeten zijn.
Hierbij verwijst de aanvrager in de nieuwe projectinhoudversie naar een studierapport “Inventarisatie en kritische evaluatie van internationale rapporten betreffende gezondheidseffecten van blootstelling aan extreem laagfrequente elektromagnetische velden” daterend van juni 2024, wat dus al eerder in het dossier kon worden bijgevoegd, van 258 pagina’s waarin de methodologische kwaliteit van studies naar de gezondheidseffecten van blootstelling aan laagfrequente elektromagnetische velden wordt onderzocht, waaronder het advies van de Hoge Gezondheidsraad van 2020 hierboven aangehaald. Volgens de aanvrager zou uit dit rapport blijken dat er geen overtuigend wetenschappelijk bewijs bestaat voor schadelijke gezondheidseffecten. Deze interpretatie van het rapport verdient evenwel belangrijke nuancering.
Het rapport heeft tot doel bestaande internationale reviewrapporten over gezondheidseffecten van extreem laagfrequente elektromagnetische velden te evalueren op basis van de gebruikte methodologie. Daarbij wordt vastgesteld dat talrijke nationale en internationale instellingen wetenschappelijke literatuur bundelen in overzichtsrapporten, die vervolgens vaak als basis dienen voor beleidsaanbevelingen.lHet rapport zelf erkent echter dat de verschillende instellingen niet steeds dezelfde methodologische benadering hanteren bij het opstellen van dergelijke overzichtsrapporten. Dit kan leiden tot aanzienlijke verschillen in de kwaliteit van de analyses en in de uiteindelijke conclusies. Met andere woorden: het bestaan van uiteenlopende methodologische keuzes wijst net op het feit dat binnen de wetenschap geen volledige consensus bestaat over de beoordeling van de beschikbare evidentie.lHoewel de studie concludeert dat vele onderzoeksrapporten een degelijke methodologische aanpak hanteren, wordt eveneens vastgesteld dat in bepaalde gevallen afwijkende conclusies wordengeformuleerd wanneer bijkomende of eigen beoordelingscriteria worden gehanteerd. Dit bevestigt dat de interpretatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens niet eenduidig is. Wanneer meer specifiek wordt gekeken naar het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat in het rapport wordt geëvalueerd, blijkt bovendien dat ook dit advies methodologische beperkingen vertoont. De beoordeling van dit advies gebeurde aan de hand van een scoreformulier waarbij zowel sterke als zwakke punten werden geïdentificeerd. Enerzijds wordt vastgesteld dat het advies duidelijk de reikwijdte, doelstellingen en conclusies beschrijft en dat het uiteenzet hoe de conclusies steunen op de beschikbare wetenschappelijke evidentie. Anderzijds worden een aantal wezenlijke tekortkomingen vastgesteld die een volledige beoordeling van de kwaliteit van de review bemoeilijken. Zo worden het reviewprotocol en de volledige zoekstrategie niet publiek beschikbaar gesteld. Ook blijven de selectiecriteria voor de opgenomen studies onvoldoende transparant. Daarnaast ontbreekt een systematische analyse van de sterktes en zwaktes van de onderliggende evidentie. Evenmin wordt een overzicht gegeven van uitgesloten publicaties en blijft onduidelijk of de studies door meerdere beoordelaars onafhankelijk van elkaar werden geëvalueerd. Deze beperkingen tonen aan dat de conclusies waarop de aanvrager zich beroept niet zonder meer als definitief kunnen worden beschouwd.
Het advies van de Hoge Gezondheidsraad uit 2020 bevestigt bovendien, zoals reeds eerder in het advies van de gemeente benadrukt, dat er nog steeds wetenschappelijke onzekerheid bestaat met betrekking tot de mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden. De HGR beveelt aan om uit voorzorg woonomgevingen niet langdurig bloot te stellen aan magnetische velden en deze aldus minstens te beperken tot 0,4 µT. Daarbij wordt expliciet benadrukt dat deze waarde niet als een grenswaarde mag worden beschouwd waarboven gezondheidseffecten zeker optreden en waaronder deze uitgesloten zijn. De aanbeveling vertrekt dus uit een voorzorgsbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat blootstelling aan magnetische velden, in het bijzonder bij langdurige blootstelling, een rol kan spelen bij het voorkomen van kinderleukemie.
Hoewel het huidige wetenschappelijke onderzoek een verband met andere ziekten dan kinderleukemie minder waarschijnlijk acht, sluit de Hoge Gezondheidsraad mogelijke gezondheidseffecten niet volledig uit. De aanbeveling om de magnetische veldsterkte in woonomgevingen te beperken bevestigt dan ook dat voorzichtigheid aangewezen blijft wanneer nieuwe infrastructuur wordt gepland in de nabijheid van woningen. De stelling van de aanvrager dat “er op dit moment geen wetenschappelijk onderbouwde studies zijn die met zekerheid gezondheidseffecten aantonen door blootstelling aan extreem-laagfrequente elektromagnetische velden” is volgens ons dus niet correct. Het rapport waarnaar wordt verwezen toont net aan dat de beschikbare wetenschappelijke evidentie niet eenduidig is, dat methodologische verschillen tot uiteenlopende conclusies kunnen leiden en dat belangrijke onzekerheden blijven bestaan. Bovendien bevestigt het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat er voldoende aanwijzingen zijn om het voorzorgsbeginsel toe te passen, in het bijzonder met betrekking tot langdurige blootstelling in woonomgevingen. De huidige stand van de wetenschap laat dus geen definitieve uitspraken toe die de mogelijke gezondheidseffecten volledig uitsluiten.
Voorts kan nog worden opgemerkt dat er op plaatsen waar een nieuwe bovengrondse verbinding wordt gerealiseerd het de bedoeling is volgens het project-MER om AMS-geleiders te gebruiken die een beperkte transportcapaciteit hebben en daardoor per bundel van 4 wordt geplaatst. Deze AMS-geleiders genieten de voorkeur volgens het project-MER op milieuvlak omwille van minimale transportverliezen en omdat ze minder coronageluid genereren. Er is immers een grotere kans op coronageluid bij HTLS-geleiders. Waar het echter gaan om bestaande masten, worden geen AMS-geleiders gebruikt omdat deze te zwaar zijn voor de bestaande masten, maar wordt er gekozen voor de HTLS-geleiders die een gelijkwaardige transportcapaciteit hebben als een bundel van 4 AMS geleiders maar dus minder zwaar wegen waardoor de bestaande mastenrijen kunnen hergebruikt worden. De inwoners van Deerlijk worden aldus blootgesteld aan meer (corona)geluidshinder wegens het verzwaren van een bestaande lijn met bestaande masten (met HTLS-geleiders), dan elders waar een nieuwe lijn wordt aangelegd (met AMS geleiders). De impact hiervan wordt ook geminimaliseerd in de ganse vergunningsaanvraag.
Wat echter niet is onderzocht in het project-MER of minstens niet wordt gemotiveerd vergeleken is wat de impact is van de keuze van geleiders op het gebied van elektromagnetische straling. Wanneer geleiders per 4 hangen is immers algemeen bekend dat de elektromagnetische straling dan beperkter is dan wanneer de geleiders per 2 hangen zoals bij de keuze voor HTLS-geleiders. Het excuus dat er toch voor HTLS-geleiders worden gekozen ondanks dat de AMS-geleiders eigenlijk op milieuvlak een veel betere keuze zijn, louter omwille van de reden dat deze minder zwaar wegen en daardoor de bestaande mastenrijen kan worden hergebruikt, gaat niet op indien aantoonbaar is dat de gezondheidseffecten op de bevolking kleiner is omdat de contouren van de elektromagnetische straling bij bundeling per 4 (AMS-geleiders) kleiner is dan bij bundeling per 2 (HTLS-geleiders). In casu gaat het dan zelfs niet om 4 geleiders want de geleiders van de 150 kV-lijn blijft hangen en wordt niet weggenomen! Wat de impact is van de behouden 150 kV-lijn op de elektromagnetische velden samen met de nieuwe bij te voegen 380 kV geleiders, wordt niet verduidelijkt. Het Project-MER gaat enkel in op het mogelijke verschil in milieueffect van geluid zonder een verschil in de contouren van de elektromagnetische velden rondom de geleiders te gaan vergelijken en motiveren waarom een bepaalde keuze de voorkeur geniet.
In de nieuwe projectinhoudversie gaat de aanvrager hier verder op in in de niet technische samenvatting. Er wordt gesteld dat er inzake elektromagnetische velden er geen relevant verschil tussen AMS- en HTLS-geleiders is omdat het verschil zodanig klein en van ondergeschikt belang is zodat deze praktisch gelijk zouden zijn. Het enige verschil zou kunnen liggen in het feit dat AMS-geleiders sneller uitzetten bij hogere temperaturen en daardoor dichter bij de grond komen (door doorhangen) en een hoger elektromagnetisch veld zouden kunnen genereren. Hier zou reeds met maximale uitzetting zijn rekening gehouden. Opnieuw worden hier geen concrete cijfers aangehaald waarop men zich baseert om deze conclusie te trekken en dienen de gemeenten en hun inwoners de aanvrager maar op hun woord te geloven.
Samengevat is het teleurstellend dat er bij de aanvang van de uitvoeringswerken van het GRUP Ventilus nog steeds dergelijke grote kennislacunes bestaan omtrent de effecten van elektromagnetische velden en het bereik ervan en vooral de berekening van het bereik ervan rekening houdend met de effectieve hoogte van de masten en de effectieve hoogte waarop de geleiders zullen hangen wat zelfs met de aanvullingen in de nieuwe projectinhoudversie nog steeds niet specifiek werd bepaald of aangetoond, zodat onduidelijk kan worden ingeschat tot waar de contouren daadwerkelijk zullen reiken en welke impact dit kan hebben op de woningen gelegen langs het tracé. Dit geldt zowel voor de gevolgen voor de gezondheid van de mens als de gezondheid van (landbouw)dieren, terwijl deze zouden moeten worden beschreven en beoordeeld en er op basis van die kennis milderende maatregelen moeten worden bedacht.
Tot slot wordt opgemerkt dat ondanks de voorziene metingen nergens wordt gewaarborgd dat er, indien verhoogde blootstelling wordt vastgesteld, daadwerkelijke maatregelen zullen worden opgelegd of dat de initiatiefnemer kan worden gesanctioneerd. Er is dus geen effectieve bescherming van burgers die onder of nabij de bestaande of nieuwe hoogspanningslijnen wonen.
● Psychomatische effecten
De psychomatische effecten van het project worden onvoldoende beoordeeld. De zichtbaarheid van bovengrondse hoogspanningslijnen veroorzaakt aantoonbaar ongerustheid bij omwonenden, wat kan leiden tot psychosomatische klachten. Tijdens de aanlegfase kan bijkomende hinder (geluid, licht, verkeer en visuele verstoring) deze effecten versterken. Bovendien bestaat een duidelijke kennislacune: er is geen inzicht in hoeveel mensen ongerustheid, stress of slaapverstoring ervaren. Door dit gebrek aan onderzoek en het ontbreken van milderende maatregelen kan het project niet verantwoord worden.
Volgens de aanvrager die het verder niet heeft onderzocht in de aangepaste projectinhoudversie, zijn de psychosomatische effecten eerder beperkt omdat de punten waar de projecten het huidige projectvoornemen zouden kruisen, geen woningen gelegen zijn in de directe omgeving zodat de cumulatie psychosomatische effecten eerder beperkt zal zijn en omdat er ook geen langdurige blootstelling zal zijn aan verhoogde geluids- en luchtemissies tijdens de aanlegfase, gezien deze beperkt is in de tijd.
Hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze psychosomatische klachten niet per se dienen verband te houden met de daadwerkelijke blootstelling aan bijkomende elektromagnetische straling, geluid, licht, verkeer en visuele verstoring, maar wel de mogelijkheid hiertoe die bij heel wat omwonenden ongerustheid veroorzaakt waardoorzij psychosomatische klachten ervaren (veroorzaakt door psychische spanningen, stress of emotionele problemen zonder duidelijk (medische) oorzaak. Was er geïnvesteerd geweest in duidelijkheid en sluitend onderzoek over de gezondheidseffecten op de omwonenden van de bijkomende masten en versterking van de geleiders naar 380kV, was die grote ongerustheid onder de bevolking niet aanwezig en was er ook geen sprake van zware psychosomatische effecten ten gevolge van het project. Was er meer aandacht besteed aan een ondergronds alternatief of duidelijke voorzorgsmaatregelen omtrent bijkomende elektromagnetische straling van de bovengrondse (bestaande versterkte en of nieuwe) hoogspanningslijnen, idem.
De aanvraag geeft geen duidelijk beeld van wat de lijnversterking echt betekent voor dieren en bevat veel hiaten. Het risico op vogel-aanvaringen wordt erkend, maar het de aanvraag gaat er te snel van uit dat vogelbebakening (reflecterende, fluorescerende en fotoluminescente markeringen) dit volledig oplost, zonder dat de effectiviteit daarvan of de invloed van een hogere transportcapaciteit is onderzocht. Ook de verstoring door de werf, extra verkeer en hinder wordt te licht ingeschat, terwijl er biologisch waardevolle gebieden in de buurt zijn, zoals rond mast P26. Het geluid van de nieuwe HTLS-geleiders, dat geknetter en gebrom kan veroorzaken, is onbekend maar wordt zonder bewijs als onbelangrijk beschouwd.
De impact van de knipperende signalisatieverlichting is onvoldoende onderzocht.
Volgens voorliggende aanvraag kunnen sommige vogels hierdoor worden aangetrokken, maar zonder veldonderzoek wordt aangenomen dat vleermuizen en andere dieren er geen last van hebben. De effecten van elektromagnetische velden op dieren zijn grotendeels onbekend. Ondanks internationale onzekerheid wordt daar geen extra onderzoek naar gedaan en worden geen voorzorgsmaatregelen voorgesteld, terwijl de veldsterkte door de lijnverzwaring kan toenemen.
Ook de tijdelijke inname van 35,47 hectare leefgebied wordt te licht beoordeeld. Het risico voor amfibieën rond masten, bijvoorbeeld door lagere waterstanden in hun voortplantingsperiode, wordt onvoldoende serieus genomen.
Natuurtoets
Een natuurtoets is vereist voor elke vergunningsplichtige activiteit die een betekenisvolle schade of aantasting kan veroorzaken aan natuur, met speciale aandacht voor beschermde natuur. De vergunningverlenende overheid moet nagaan of het project vermijdbare schade aan de natuur kan veroorzaken. Indien dat het geval is, moet de overheid de vergunning weigeren of voorwaarden opleggen om de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen.
Ondanks het feit dat in de verantwoordingsnota wordt gesteld dat geen vermijdbare schade aan de natuur mag optreden en wordt verwezen naar een uitgevoerde natuurtoets met bijhorende passende beoordeling, schiet de onderbouwing van deze toets op een aantal punten tekort.
Zoals voorheen wordt aangehaald werd in het traject nergens gezocht naar een betere ruimtelijke integratie van de bovengrondse lijn. Sterker, er worden zelfs bomen gerooid omdat deze risico zouden kunnen inhouden voor de kabels.
De visuele hinder voor de omwonenden in de wijde omgeving blijft dan ook enorm. Pylonen van 80 m hoog zijn dominant aanwezig in een gebied dat voor het merendeel uitgesproken landelijk had genoemd kunnen worden.
Voorliggende aanvraag maakt ook meteen duidelijk dat dergelijke landschappelijke invulling, zelfs vervuiling te noemen, niet meer zal verdwijnen. Integendeel, ze wordt net bestendigd en zal dus de komende decennia een blijvende immense stempel drukken op de landschappelijke invulling van het gebied.
Het college stelt vast dat de aanvraag het alternatievenonderzoek herleidt tot de keuzes en analyses uit het historische plan-MER bij het GRUP Ventilus. Een zelfstandig, actueel alternatievenonderzoek op projectniveau door de initiatiefnemer ontbreekt.
De initiatiefnemer dient een beschrijving op te nemen van de onderzochte redelijke alternatieven, de relevante kenmerken en de belangrijkste motieven voor de gemaakte keuzes, in het licht van hun milieueffecten. Die effecten mogen niet louter formeel worden afgedaan. Zij moeten open en onbevooroordeeld worden geïdentificeerd, onderzocht en vergeleken. Alternatieven mogen in dat kader niet vooraf worden uitgesloten worden op grond van randvoorwaarden die het oplossingenveld artificieel beperken. Bovendien speelt publieke raadpleging een rol in de identificatie van redelijke alternatieven, aangezien lokale kennis en bezorgdheden relevante input vormen voor het bepalen van de redelijkheid van alternatieve tracés of inrichtings- of uitvoeringswijzen.
Binnen de aanvraag werd echter geen onderzoek meer gedaan naar de locatiealternatieven, gezien deze reeds werden vastgelegd via het GRUP Ventilus. Het tracé voor de 380 kV verbinding werd vastgelegd middels een ‘indicatieve overdruk’ bovenop de geldende bestemming, zodat de zones werden vastgelegd waar ondergrondse of waar bovengrondse aanleg gebeurt.
Er is een indicatie van waar het tracé zal lopen, maar geen breedte. De reden hiervoor is volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot definitieve vaststelling van het GRUP dat indien er op planniveau reeds de breedtes worden vastgelegd dit zou betekenen dat er met zeer ruime marges zou gewerkt moeten worden om een concrete uittekening op projectniveau (in overleg met bvb de landbouwers of wegbeheerders van percelen of wegen die meoten worden gekruist) niet te hinderen. Nochtans betekenen een indicatieve overdruk dat er een indicatie is van waar het tracé zal lopen, maar blijft er een ontwerpmarge zodat het uiteindelijke tracé nog meters kan opschuiven ten opzichte van het referentieontwerp, wat maakt dat alternatieven hier nog steeds dienden te worden bekeken binnen de indicatieve overdruk.
Men dient vast te stellen dat die ontwerpvrijheid in de praktijk zeer beperkt wordt geïnterpreteerd. In essentie wordt die vrijheid louter benut wanneer technische of veiligheidsbeperkingen zich opdringen voor de initiatiefnemer. Zij wordt echter amper aangewend om lokale optimalisaties te onderzoeken of om de ruimtelijke inpassing te verbeteren. Dat vormt een gemiste mogelijkheid voor maatwerk en impactreductie.
Er werd een zeer beperkt overzicht gegeven van de verschillende hoofdalternatieven die er werden beschreven in het plan-MER bij GRUP Ventilus. Hierbij wordt louter verwezen naar de vijf verschillende hoofdalternatieven en samengevat waarom deze niet zijn weerhouden. De projectbeschrijving stelt dat de zones en contouren door het GRUP Ventilus werden vastgelegd en concludeert vervolgens dat er op projectniveau geen redelijke alternatieven meer bestaan. Door zijn opdracht tot een historische reproductie te reduceren voldoet de initiatiefnemer niet aan zijn verplichting om de redelijke alternatieven te onderzoeken.
Verder wordt wel gesteld dat binnen het plan-MER bij het GRUP Ventilus een groot aantal locatiealternatieven werd onderzocht, maar voorliggende aanvraag neemt die opties slechts summier, zonder geactualiseerde, bijkomende motivering over. De vijf hoofdalternatieven uit de GRUP-procedure worden kort overgenomen.
Meerdere opties vielen op basis van een zogenaamde kwetsbaarheidsanalyse al in een vroeg stadium af. De motieven om alternatieven uit te sluiten blijken echter summier en weinig transparant. Zo stelt men dat het hoofdalternatief via de E40 als te kwetsbaar wordt beschouwd, zelfs indien gedeeltelijke ondergrondse aanleg zou geïntegreerd worden, zonder dat enig inzicht wordt geboden in de gehanteerde methodologie en afwegingscriteria.
Voorts wordt er geen actuele motivering gegeven over waarom (deels) ondergrondse aanleg technisch of juridisch onmogelijk of disproportioneel is. De motivering waarom voor bepaalde tracédelen niet gekozen werd voor een (deels) ondergrondse aanleg, afgezien van de zones die het GRUP stipuleert, ontbreekt. De aanvraag herhaalt vooral dat buiten die zones “op projectniveau geen redelijke alternatieven” bestaan, zonder bijkomende motivering of technische detailanalyse. Bovengrondse tracés worden als “standaard” genomen, zonder de alternatieven voor die “standaard” grondig te vergelijken.
Opmerkingen omtrent alternatieven werden ook in het GRUP reeds aangehaald en ook daar werd reeds verwezen naar gebrekkig onderzoek en motivering. In kader van het project-MER beperkt men zich tot de stelling dat: de alternatieven die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend "niet geleid hebben tot een bijstelling van het GRUP". Slechts “enkele beperkte wijzigingen" werden doorgevoerd op basis van voorstellen uit de plenaire vergadering. Voorgaande werpt vragen op over de mate waarin ingebrachte tracé- of locatiealternatieven en suggesties daadwerkelijk werden onderzocht of geïntegreerd binnen het alternatievenonderzoek. Daardoor lijkt het alsof er onvoldoende rekening werd gehouden met lokaal beleid en leefbaarheidsaspecten. Naar de letter zou er sprake zijn van participatie, maar de feitelijke impact van de lokale inbreng is uiterst minimaal, zo niet onbestaande.
Er wordt samenvattend beschreven dat uit de hoofdalternatieven (of locatiealternatieven) lijntracés zijn ontwikkeld die elk werden onderworpen aan een milieubeoordeling waarna uiteindelijk een keuze werd gemaakt, waarna nog wat verfijningen werden doorgevoerd aan het gekozen alternatief en werden de milieueffecten nog eens onderzocht van dit geoptimaliseerde alternatief.
Volgens welke motivering die verband houden met milieueffecten het hoofdalternatief en het lijntracé uiteindelijk gekozen zijn wordt geen enkele motivering aangehaald en laat dat nu net datgene zijn wat in een aanvraag en bijhorende project-MER dient te worden gemotiveerd en onderzocht. Er wordt louter verwezen hiervoor naar het plan-MER. De milieueffectenbeoordeling en motieven werden zelfs niet eens samengevat.
Keuze uit type masten kan een verschil maken in de grootte van de elektromagnetische velden, de grondinname, de grootte van de ondiepe funderingslaag en flexibiliteit in hoeken. Er wordt gekozen voor compacte vakwerkmasten en op specifieke plaatsen stopmasten. In sommige gevallen wordt de masthoogte aangepast (verhoogd) afhankelijk van het voorkomen van hogere constructies of obstakels.
Voor het bovengrondse traject wordt er gekozen voor compacte vakwerkmasten waarbij de masten merendeel bestaan uit isolerende mastarmen, waardoor de totale silhouet van de mast zou zijn beperkt en magnetische velden zou zijn gereduceerd.
De impact van de hoogtes van de masten en de kabels wordt evenwel wederom nergens uitgewerkt wat betreft het bepalen van de contouren van de elektromagnetische straling. Er kan dan ook onmogelijk worden nagegaan in hoeverre de afgebeelde contouren op de kaarten klopt, daar waar bepaalde woningen/gebouwen net niet zouden gelegen zijn binnen de contouren.
Het is onmogelijk uit het dossier af te leiden hoe hoog de kabels zullen gelegd worden. Sterker nog, het is nergens uit af te leiden dat wanneer de kabels er eenmaal liggen, ze ook precies daar zullen blijven hangen. Verschillende elementen zorgen er immers voor dat die kabels niet steeds op dezelfde locatie blijven, zoals temperatuur, wind, … ook de tand des tijds kan gevolgen hebben voor de hoogte waarop de kabels hangen.
Het is dan ook te weinig duidelijk of zeker dat de berekening van de magnetische velden de correcte berekening is. Zulks is niet aanvaardbaar gelet op de impact op het grondgebied.
Het college van burgemeester en schepenen wenst verder nog op te merken dat de hoegrootheid van het volledige vergunningsdossier, in combinatie met de wijze waarop het dossier is gestructureerd en opgesplitst, de leesbaarheid bijna onmogelijk maakt voor gemeenten en andere belanghebbenden, in het bijzonder hun inwoners.
Het dossier bestaat uit honderden pagina’s technische documenten die slechts moeizaam doorgrond kunnen worden. Daarnaast werd het project procedureel opgesplitst in meerdere omgevingsvergunningsaanvragen, zonder dat per aanvraag een autonoom, afgebakend en overzichtelijk geheel wordt gepresenteerd (zie ook infra). De overdaad aan informatie, gecombineerd met een gebrek aan heldere samenvattingen en een versnipperde opbouw met een doolhof aan bijlagen en kruislings verwijzende stukken maakt het voor belanghebbenden quasi onmogelijk om de essentie van de plannen en de mogelijke impact ervan te vatten. Daardoor wordt de transparantie ernstig ondermijnd en wordt de effectieve uitoefening van het inspraakrecht door burgers, lokale overheden en andere belanghebbenden bemoeilijkt. De leesbaarheid en overzichtelijkheid zouden nochtans prioritair moeten zijn in dergelijk maatschappelijk belangrijk dossier.
Waar het voor een lokaal bestuur al niet evident is om uit de talloze documenten de concrete informatie te puren die van toepassing is op haar grondgebied, is dat voor een burger die niet dagelijks thuis is in deze materie quasi onbegonnen werk. Alleen al het project-MER beslaat 57 documenten, waarvan de omvang varieert van tientallen tot honderden pagina’s. Om als burger binnen een korte tijdspanne alle documenten door te nemen en te doorgronden welke delen van die teksten op een burger van toepassing is, getuigt van een laconiek gebrek aan begrip en respect voor de moeite die burgers zich troosten om hier wijs uit te geraken.
In het tweede openbaar onderzoek gaat het er voor de burger die zich de moeite troost om een weg te vinden in de hoeveelheid aan documenten weinig op vooruit.
Het begint al op de site van het departement. Daarop wordt aangekondigd dat er een nieuw openbaar onderzoek over Ventilus kan ingekeken worden via een link. Doch wanneer je de link zelf aanklikt, kom je terecht op de algemene website van het Inzageloket, zonder concrete verwijzing naar de OMV nummers. Die OMV nummers zijn zelfs nergens op de site van het departement terug te vinden. De burger moet zelf inventief op zoek gaan.
De aanpassingen in het dossier werden op één pagina samengevat met verwijzingen naar het betreffende document. Doch die samenvatting is enorm summier, zodat het noodzakelijk is om toch naar elke aanpassing op zoek te gaan door de hele stapel documenten.
De aanpassingen zelf zijn niet van die aard dat er essentiële zaken wijzigen. In essentie blijft de aanvraag gelijk.
Voorliggende aanvraag betreft een deel van de gehele Ventiluslijn, die wordt aangevraagd in vijf verschillende omgevingsvergunningsaanvragen.
“Saucissering” (ook wel “saucissonering” genoemd, van het Franse ‘saucisson’) betreft het kunstmatig opsplitsen van een aanvraag voor een vergunning (voor bijvoorbeeld bouw, ruimtelijke ordening of infrastructuur) in meerdere deelprojecten of afzonderlijke vergunningsaanvragen, terwijl het in de feiten om één groter, samenhangend project gaat.
Er is geen regelgeving die het opsplitsen van een globaal project in deelprojecten principieel verbiedt. Aanvragers zijn in principe vrij om een totaalproject in verschillende (tijdelijke, technische of gefaseerde) dossiers te splitsen.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen citeert hierbij expliciet de rechtspraak van de Raad van State: “gesaucissoneerde” vergunningsaanvragen kunnen enkel worden gesanctioneerd wanneer het niet-aangevraagde deel zo essentieel is, dat het afleveren van een vergunning zonder het essentiële deel neerkomt op het afleveren van een onwerkzame vergunning (RvS, 1 februari 2007, nr. 167.375). Het klassiek voorbeeld daarbij is dat een vergunning voor een bepaald deel geen enkele uitwerking heeft als niet het geheel is beoordeeld of vergund.
De opsplitsing is problematisch als:
● Het totale project niet meer als één geheel kan worden beoordeeld op ruimtelijke of milieueffecten.
● De procedurele rechten van derden (inspraak, bezwaar) bewust worden ontnomen of bemoeilijkt.
● Men via deze werkwijze regelgeving wil omzeilen, bijvoorbeeld door zwaardere onderzoeksplichten te ontwijken.
Binnen de evaluatie van de aanvraag moet de overheid (ook bij deelprojecten) steeds waken over het totaalbeeld. Wanneer een openbaar onderzoek vereist is, moeten adviezen en bezwaren ook t.a.v. het geheel worden behandeld en beantwoord.
De Raad voegt eraan toe dat het opsplitsen vaak legitiem kan zijn door “praktische of technische redenen” (bv. fasering van werken, beperking van hinder, erfgoedeisen). Zolang de globale ruimtelijke beoordeling overeind blijft, is saucissering niet verboden.
Net hier knelt het schoentje. Door de aanvraag op te splitsen in vijf verschillende omgevingsvergunningsaanvragen, gecombineerd met één allesomvattend en niet per aanvraag of per gemeente afgebakend project-MER, wordt het totale project in de praktijk niet langer op een begrijpelijke en coherente wijze als één geheel gepresenteerd. Die werkwijze heeft tot gevolg dat de globale beoordeling wordt uitgehold en dat de inspraakrechten van derden, in het bijzonder van burgers, worden beknot.
In de aangepaste projectinhoudversie werd hierover in de toelichting het volgende toegevoegd:
De toevoeging in de nota lijkt echter zichzelf tegen te spreken. Waar ze bedoeld is om aan te geven dat er van saucissering geen sprake is, stelt ze in de tweede zin dat de projecten op zichzelf kunnen staan, doch dat ze elk apart niet de realisatie van Ventilus kunnen bewerkstelligen.
En laat dat nu net de essentie zijn van de kritiek die wordt geuit. De verschillende delen kunnen wellicht op zichzelf bestaan, doch het één zonder het andere maakt net dat er géén Ventilus lijn kan komen. En het is net de cumulatieve effecten van de volledige lijn de zwaar onderschat worden en niet behoorlijk worden toegelicht. Want het is uiteraard niet de bedoeling van de aanvrager om slechts een deeltje van de aanvraag uit te voeren. Sterker, stel dat slecht één of twee van de aanvrager zouden vergund worden en de andere niet, dan zal niet gestart worden met het uitvoeren van het project, omdat de uitvoering van alle deelprojecten noodzakelijk is om de gehele versterking uit te kunnen voeren. Een gedeeltelijke versterking kan hier geen soelaas bieden.
ALGEMENE CONCLUSIE: ONGUNSTIG
Overwegende dat:
● Gezondheidseffecten: onvoldoende garanties worden geboden voor het beperken van blootstelling aan magnetische velden, in het bijzonder voor kwetsbare groepen zoals kinderen, en dat het voorzorgsprincipe onvoldoende wordt toegepast;
● Milieueffecten: risico’s op wateroverlast en bodemverontreiniging onvoldoende zijn uitgesloten, onder meer gelet op de lozing van bemalingswater en de ligging in een overstromingsgevoelig gebied;
● Natuuraantasting: het project leidt tot blijvende visuele hinder, aantasting van het landschap, grootschalige ontbossing en een ontoereikende bescherming van biodiversiteit;
● Economische impact: een waardevermindering van woningen en bedrijfsgebouwen wordt verwacht zonder dat in een billijke compensatieregeling is voorzien;
● Alternatievenonderzoek: redelijke alternatieven, zoals ondergrondse aanleg of andere technologieën, onvoldoende werden onderzocht en de gekozen tracé-inpassing niet werd gevalideerd in functie van het lokale leefmilieu;
● Ruimtelijke ordening en mobiliteit: het project niet overtuigend wordt verantwoord in het licht van een goede ruimtelijke ordening en de lokale verkeersimpact onvoldoende werd geëvalueerd;
● Leesbaarheid en transparantie: het dossier door zijn complexiteit en opsplitsing over meerdere aanvragen, alsook door ontbrekende of onduidelijke informatie, een volwaardige inspraak en zorgvuldige beoordeling bemoeilijkt;
Overwegende dat op basis van het voorgaande moet worden vastgesteld dat de hinder en de effecten op mens en milieu niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;
Overwegende dat de aanvraag derhalve niet voldoet aan de vereisten van een zorgvuldig en maatschappelijk verantwoord vergunningsbeleid;
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 2 Decreet Lokaal Bestuur
● Andere:
○ Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning
○ Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en zijn wijzigingen
○ Vlarem II, besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 en zijn wijzigingen
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit een ongunstig advies te verlenen met betrekking tot de omgevingsvergunningsaanvraag met nummer OMV_2025025784 gelet op bovenstaande uiteenzetting.
Artikel 2
Het college van burgemeester en schepenen besluit dit ongunstig advies over te maken aan de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie (GOVC).
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.21. Inname openbaar domein - kennisname
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.22. Premie kleine landschapselementen - toekennen subsidie - goedkeuring
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.23. Project Ventilus - advies ontwerp-MER - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd opnieuw een advies uit te brengen over het ontwerp-MER i.k.v. het project Ventilus naar aanleiding van een nieuwe projectinhoud en een nieuw openbaar onderzoek.
Motivering
Het GRUP Ventilus werd definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22 maart 2024 en gepubliceerd op 25 mei 2024 en is van kracht sinds 30 mei 2024.
Naar aanleiding van dit GRUP Ventilus zijn er momenteel nog procedures hangende bij de Raad van State door meerdere gemeenten en burgers.
Er wordt door de gemeente dan ook enig voorbehoud gemaakt omtrent het advies, gelet op de onzekerheid van het definitief voortbestaan van GRUP Ventilus.
Naar aanleiding van het Gewestelijk RUP Ventilus werd, alvorens een omgevingsaanvraag in te dienen voor het realiseren van het nieuwe/te verzwaren hoogspanningstracé, een milieueffectenrapport in ontwerp opgemaakt. Het project Ventilus is MER-plichtig omwille van de volgende rubrieken: Bijlage I, rubriek 24, aanleg van bovengrondse hoogspanningslijnen van 150 kV of meer en langer dan 15 km; Bijlage II, rubriek 3b, aanleg van ondergrondse hoogspanningslijnen van 150 kV of meer die over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in bijzonder beschermd gebied gelegen zijn; Bijlage II, rubriek 10, werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater, omwille van de noodzakelijke bemalingen van de sleuf van de kabelwerken, bemaling ter hoogte van mastlocaties en ter hoogte van hoogspanningsstations en opstijgpunten. De initiatiefnemer heeft een aanmelding en ontwerp-MER voorgelegd, voorafgaand aan de vergunningsaanvraag, met de vraag aan team Omgevingseffecten milieueffectenrapportage om een scopingadvies na overleg met het team omgevingseffecten en adviesinstanties met oog op het finaliseren van het ontwerp-MER.
Op 21 februari 2025 werd aan de betrokken gemeenten langsheen het Ventilustraject advies gevraagd. Dit advies diende voor de gemeenten ten laatste op 22 maart 2025 digitaal te zijn bezorgd aan mer@vlaanderen.be.
Op 19 maart 2025 heeft het college van burgemeester en schepenen van gemeente Deerlijk een negatief advies verleend.
Op 3 juni 2025 heeft het Departement Omgeving, Team Omgevingseffecten Milieurapportage haar scopingsadvies Project-MER Ventilus verleend.
Vervolgens zou het project-MER in de omgevingsvergunningsprocedure geïntegreerd worden en de beoordeling en goedkeuring van het project-MER zal deel uitmaken van de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag en het openbaar onderzoek over de omgevingsvergunningsaanvraag waarbij bezwaarschriften kunnen worden ingediend.
In juni 2025 werd de omgevingsvergunningsaanvraag met het project-MER ingediend bij het Departement Omgeving.
Op 29 oktober 2025 werd door het Departement Omgeving het dossier volledig en ontvankelijk verklaard en gevraagd aan de betrokken gemeenten om het openbaar onderzoek te organiseren.
Gemeente Deerlijk is betrokken in volgende dossiers met OMV-nummers:
● OMV 2025025781 Gezel – Izegem (Brugge, Wingene, Zuienkerke, Oostkamp, Zedelgem, Jabbeke, Lendelede, Lichtervelde, Izegem, Torhout, Ardooie) - TR4303X-LC-380-GEZEL-IZGEM
● OMV 2025025783 Izegem (Ledelede en Izegem) - TR43028-P-380-IZEGEM
● OMV 2025025784 Izegem – Avelgem (Waregem, Avelgem, Zwevegem, Harelbeke, Deerlijk, Izegem, Lendelede, Anzegem) - TR43034-L-380-IZGEM-AVLGM
Er werd op 3 november 2025 advies gevraagd aan gemeente Deerlijk door het Departement Omgeving Team Omgevingseffecten Milieueffectenrapportage tegen uiterlijk 3 december 2025.
Er werd op 3 november 2025 advies gevraagd aan gemeente Deerlijk door de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie over de omgevingsvergunningsaanvraag tegen uiterlijk 23 december 2025. Dit advies moet worden opgeladen op het omgevingsloket en zou worden behandeld op de GOVC-zitting van 20 januari 2026.
Het eerste advies inzake het project-MER Ventilus werd ten laatste op 3 december 2025 digitaal bezorgd aan mer@vlaanderen.be .
Er werd een nieuwe projectinhoudversie opgeladen op 30 januari 2026 en een nieuw openbaar onderzoek georganiseerd van 6 februari 2026 tot en met 7 maart 2026.
Naar aanleiding van dit tweede openbaar onderzoek werd opnieuw advies gevraagd aan gemeente Deerlijk door het Departement Omgeving Team Omgevingseffecten Milieueffectenrapportage tegen uiterlijk 13 maart 2026.
Er werd tevens advies gevraagd door de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie over de aangepaste omgevingsvergunningsaanvraag tegen uiterlijk 13 maart 2026. Dit advies moet worden opgeladen en zou worden behandeld op de GOVC-zitting van 24 maart 2026.
Onderhavig advies betreft het advies inzake het project-MER Ventilus.
Historiek
● Op 29 maart 2019 keurde Vlaamse Regering de start- en procesnota voor het GRUP Ventilus goed
● Beslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 19 juni 2019 betreffende gemeentelijk advies mbt de startnota GRUP Ventilus
● Beslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 17 mei 2023 betreffende ongunstig advies bij voorontwerp GRUP Ventilus
● Standpunt van de voltallige gemeenteraad van de gemeente Lendelede van 25 mei 2023 waarbij er niet kan akkoord worden gegaan met het voorontwerp GRUP Ventilus
● Voorlopige vaststelling GRUP Ventilus door de Vlaamse Regering op 7 juli 2023
● Openbaar onderzoek over het ontwerp GRUP Ventilus van 29 augustus tot 27 oktober 2023
● Beslissing gemeenteraad dd. 18 oktober 2023 houdende het ongunstige advies op de voorlopige vaststelling GRUP Ventilus
● Het GRUP Ventilus werd definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22 maart 2024 en gepubliceerd op 25 mei 2024 en is van kracht sinds 30 mei 2024
● Op 12 juli 2024 werd het verzoekschrift tot vernietiging van het GRUP Ventilus ingediend door gemeente Lendelede. De procedure is nog hangende
● Beslissing van het college van burgemeester en schepenen dd. 19 maart 2023 inzake de aanmelding project-MER met vraag om scopingadvies
Argumentatie en advies
Het project-MER voorziet dat op grondgebied van gemeente Deerlijk het GRUP Ventilus als volgt zal worden gerealiseerd:
Alternatievenonderzoek
De gemeente stelt vast dat het project-MER het alternatievenonderzoek herleidt tot de keuzes en analyses uit het historische plan-MER bij het GRUP Ventilus. Een zelfstandig, actueel alternatievenonderzoek op projectniveau door de initiatiefnemer ontbreekt. Dat is problematisch, aangezien de MER-regelgeving een eigen onderzoeksplicht oplegt aan de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer dient een beschrijving op te nemen van de onderzochte redelijke alternatieven, de relevante kenmerken en de belangrijkste motieven voor de gemaakte keuzes, in het licht van hun milieueffecten. Die effecten mogen niet louter formeel worden afgedaan. Zij moeten open en onbevooroordeeld worden geïdentificeerd, onderzocht en vergeleken. Alternatieven mogen in dat kader niet vooraf worden uitgesloten worden op grond van randvoorwaarden die het oplossingenveld artificieel beperken. Bovendien speelt publieke raadpleging een rol in de identificatie van redelijke alternatieven, aangezien lokale kennis en bezorgdheden relevante input vormen voor het bepalen van de redelijkheid van alternatieve tracés of inrichtings- of uitvoeringswijzen.
Binnen het project-MER werd echter geen onderzoek meer gedaan naar de locatiealternatieven, gezien deze reeds werden vastgelegd via het GRUP Ventilus. Het tracé voor de 380 kV verbinding werd vastgelegd middels een ‘indicatieve overdruk’ bovenop de geldende bestemming, zodat de zones werden vastgelegd waar ondergrondse of waar bovengrondse aanleg gebeurt. Er is een indicatie van waar het tracé zal lopen, maar geen breedte. De reden hiervoor is volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot definitieve vaststelling van het GRUP dat indien er op planniveau reeds de breedtes worden vastgelegd dit zou betekenen dat er met zeer ruime marges zou gewerkt moeten worden om een concrete uittekening op projectniveau (in overleg met bvb de landbouwers of wegbeheerders van percelen of wegen die moeten worden gekruist) niet te hinderen. Nochtans betekent een indicatieve overdruk dat er een indicatie is van waar het tracé zal lopen, maar blijft er een ontwerpmarge zodat het uiteindelijk tracé nog meters kan opschuiven ten opzichte van het referentieontwerp, wat maakt dat alternatieven hier nog steeds dienden te worden bekeken binnen de indicatieve overdruk.
Men dient vast te stellen dat die ontwerpvrijheid in de praktijk zeer beperkt wordt geïnterpreteerd. In essentie wordt die vrijheid louter benut wanneer technische of veiligheidsbeperkingen zich opdringen voor de initiatiefnemer, zoals bij de verschuivingen van mastlocaties P55N en P26N. Zij wordt echter amper aangewend om lokale optimalisaties te onderzoeken of om de ruimtelijke inpassing te verbeteren. Dat vormt een gemiste mogelijkheid voor maatwerk en impactreductie.
Er werd een zeer beperkt overzicht gegeven van de verschillende hoofdalternatieven die er werden beschreven in het plan-MER bij GRUP Ventilus. Hierbij wordt louter verwezen naar de vijf verschillende hoofdalternatieven en samengevat waarom deze niet zijn weerhouden. De projectbeschrijving stelt dat de zones en contouren door het GRUP Ventilus werden vastgelegd en concludeert vervolgens dat er op projectniveau geen redelijke alternatieven meer bestaan. Door zijn opdracht tot een historische reproductie te reduceren voldoet de initiatiefnemer niet aan zijn verplichting om de redelijke alternatieven te onderzoeken.
Verder wordt wel gesteld dat binnen het plan-MER bij het GRUP Ventilus een groot aantal locatie-alternatieven werd onderzocht, maar het project-MER neemt die opties slechts summier, zonder geactualiseerde, bijkomende motivering over. De vijf hoofdalternatieven uit de GRUP-procedure worden kort overgenomen.
Meerdere opties vielen op basis van een zogenaamde kwetsbaarheidsanalyse al in een vroeg stadium af. De motieven om alternatieven uit te sluiten blijken echter summier en weinig transparant. Zo stelt men dat het hoofdalternatief via de E40 als te kwetsbaar wordt beschouwd, zelfs indien gedeeltelijke ondergrondse aanleg zou geïntegreerd worden, zonder dat enig inzicht wordt geboden in de gehanteerde methodologie en afwegingscriteria.
Voorts wordt er geen actuele motivering gegeven over waarom (deels) ondergrondse aanleg technisch of juridisch onmogelijk of disproportioneel is. De motivering waarom voor bepaalde tracédelen niet gekozen werd voor een (deels) ondergrondse aanleg, afgezien van de zones die het GRUP stipuleert, ontbreekt. Het project-MER herhaalt vooral dat buiten die zones “op projectniveau geen redelijke alternatieven” bestaan, zonder bijkomende motivering of technische detailanalyse. Bovengrondse tracés worden als “standaard” genomen, zonder de alternatieven voor die “standaard” grondig te vergelijken.
Ook waar het project-MER technische beperkingen bespreekt laat de motivering te wensen over. Verwijzingen naar “complexe aanleg”, “beperkte ruimtelijke mogelijkheden” en “logistieke uitdagingen” worden niet gestaafd met cijfers of andere concrete gegevens. Er wordt zelden concreet getoond dat elke optie systematisch onderzocht en als onmogelijk/disproportioneel uitgesloten is.
Opmerkingen omtrent alternatieven werden ook in het GRUP reeds aangehaald en ook daar werd reeds verwezen naar gebrekkig onderzoek en motivering. In kader van het project-MER beperkt men zich tot de stelling dat: de alternatieven die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend "niet geleid hebben tot een bijstelling van het GRUP". Slechts “enkele beperkte wijzigingen" werden doorgevoerd op basis van voorstellen uit de plenaire vergadering. Voorgaande werpt vragen op over de mate waarin ingebrachte tracé- of locatiealternatieven en suggesties daadwerkelijk werden onderzocht of geïntegreerd binnen het alternatievenonderzoek. Daardoor lijkt het alsof er onvoldoende rekening werd gehouden met lokaal beleid en leefbaarheidsaspecten. Naar de letter zou er sprake zijn van participatie, maar de feitelijke impact van de lokale inbreng is uiterst minimaal, zo niet onbestaande.
Er wordt samenvattend beschreven dat uit de weerhouden hoofdalternatieven (of locatie-alternatieven) lijntracés zijn ontwikkeld die elk werden onderworpen aan een milieubeoordeling waarna uiteindelijk een keuze werd gemaakt, waarna nog wat verfijningen werden doorgevoerd aan het gekozen alternatief en werden de milieueffecten nog eens onderzocht van dit geoptimaliseerde alternatief.
Volgens welke motivering die verband houden met milieueffecten het hoofdalternatief en het lijntracé uiteindelijk gekozen zijn wordt geen enkele motivering aangehaald en laat dat nu net datgene zijn wat in een project-MER dient te worden gemotiveerd en onderzocht. Er wordt daarvoor louter verwezen naar het plan-MER. De milieueffectenbeoordeling en motieven werden zelfs niet eens samengevat. Terwijl dat net de essentie is van een project-MER, namelijk dat de milieueffectenbeoordeling en motieven van de verschillende lijntracés duidelijk zijn zodat ook duidelijk is waarom specifiek werd gekozen voor één bepaald lijntracé. Het DABM vereist immers dat in het project-MER een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het project of onderdelen ervan wordt gegeven of dat de noodzakelijke alternatieven worden benoemd met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie. Ook dat diende in het kader van het project-MER te worden onderzocht in functie van het concrete plan ter realisatie van het GRUP en hoe het GRUP zal worden uitgevoerd volgens voorliggende omgevingsvergunningsaanvraag of dat minstens dit diende te worden samengevat in het project-MER.
Inrichtings- of uitvoeringsalternatieven die betrekking hebben op de manier waarop de werken worden uitgevoerd zouden nog worden meegenomen in het MER en aanpassingen hieraan kunnen nog voorgesteld worden. Keuze uit type masten kan een verschil maken in de grootte van de elektromagnetische velden, de grondinname, de grootte van de ondiepe funderingslaag en flexibiliteit in hoeken. Er wordt gekozen voor compacte vakwerkmasten en op specifieke plaatsen stopmasten. In sommige gevallen wordt de masthoogte aangepast (verhoogd) afhankelijk van het voorkomen van hogere constructies of obstakels.
Voor het bovengrondse traject wordt er gekozen voor compacte vakwerkmasten waarbij de masten merendeel bestaan uit isolerende mastarmen, waardoor het totale silhouet van de mast zou zijn beperkt en magnetische velden zouden zijn gereduceerd. Voor het tracé op grondgebied van gemeente Lendelede (NWL215) zijn er 11 nieuwe masten voorzien over een afstand van 3,5 km. Nu pas voor het eerst, in de project-MER (niet in het plan-MER bij het ontwerp van GRUP Ventilus) masthoogtes, mastbreedtes en oppervlaktes van innames opgenomen in tabellen. De hoogtes variëren op grondgebied van gemeente Lendelede van 48 meter (P10 en 05) tot 61 meter (P8). De mast P8 zou hoger zijn omdat dit een stopmast is waarop de lijnwerken (geleidertrek) zullen plaatsvinden).
De impact van de hoogtes van de masten en de kabels wordt evenwel wederom nergens uitgewerkt in het project-MER wat betreft het bepalen van de contouren van de elektromagnetische straling. Er kan dan ook onmogelijk worden nagegaan in hoeverre de afgebeelde contouren op de kaarten klopt, daar waar bepaalde woningen/gebouwen net niet zouden gelegen zijn binnen de contouren. Verder dient te worden opgemerkt dat er eindelijk wordt erkend dat op het moment dat het GRUP werd opgemaakt er nog geen enkel idee was waar de contouren van de magnetische velden zouden gelegen zijn, nu de hoogtes van de masten en de preciezen locaties van de masten nog niet gekend waren: “Ook in het GRUP werden er kaarten opgemaakt door Departement Omgeving. Daar waar een nieuwe lijn zal gebouwd worden kon toen nog geen concrete contour bepaald worden, gezien de mastlocaties en masthoogtes toen nog niet gekend waren. Er wordt opgemerkt dat in het GRUP de contour na de modelmatige berekening op de grenspunten werd doorgetekend, waar dit op de huidige kaarten niet het geval is. Dit betekent echter niet dat er woningen ten onrechte niet worden aangeduid als gelegen binnen de 0,4 µT contour.” Hoe dan vervolgens op basis daarvan in het GRUP Ventilus met zekerheid kon worden gesteld dat het geen gezondheidseffecten zou hebben op de inwoners, kinderdagverblijven en dergelijk van de gemeente, is dan ook een raadsel. Des te meer nu blijkt dat door uitvoering van het projectvoornemen blijkens het project-MER er “7 nieuwe woningen en 2 bouwpercelen binnen de 0,4 µT contour gelegen zijn”, daar waar in de huidige toestand dat er uiteraard geen zouden zijn aangezien het gaat om de aanleg van een nieuwe hoogspanningslijn doorheen open ruimte gebied. Ten opzichte van deze woningen waar mogelijks gezinnen met kinderen leven, deze kinderen dan zomaar worden blootgesteld aan deze elektromagnetische straling, strook niet met het voorzorgsbeginsel. Noch wordt er onderzocht of gemotiveerd dat er geen alternatieven mogelijk zijn in inplanting van de masten of dat de hoogtes van de kabels/masten anders kunnen worden gerealiseerd waardoor deze woningen niet zouden gelegen zijn binnen deze contouren.
Het hoogspanningsstation wordt uitgevoerd met lucht (AIR) geïsoleerde schakelapparatuur (AIS). Nochtans wordt zelf aangehaald dat gasgeïsoleerde stations een groter isolatievermogen hebben tegenover lucht, zodat die installaties aanzienlijk kleiner kunnen worden uitgevoerd en er dus veel minder plaats moet worden ingenomen. Er wordt kortweg gesteld dat het gebruik van gas nog niet is goedgekeurd voor gebruik op een hoogspanningsnet voor 380 kV, maar hier wordt verder niet op ingegaan. Hoe snel zou dit gasalternatief mogelijk worden? Als hiermee minder plaats moet worden ingenomen, hypothekeert dit de toekomst van de site en het grondgebied van Lendelede veel minder, waardoor toch minstens dit alternatief moet worden overwogen en besproken. Toch beperkt men zich hierdoor te stellen dat het gebruik van gas “nog niet” is goedgekeurd voor gebruik zoals in casu.
Transportcapaciteit
Tussen het hoogspanningsstation van Izegem dat wordt uitgebreid op het grondgebied van de gemeente Lendelede en Avelgem wordt de bestaande 380 kV-verbinding tussen Izegem en Avelgem ingrijpend versterkt: de transportcapaciteit stijgt van 3 GW naar 6 GW over circa 22,8 km. Dit wordt gerealiseerd door bovengronds een verbinding te realiseren met 2 circuits die elk 3GW kunnen transporteren. De transportcapaciteit wordt met andere woorden verdubbeld. De gevolgen van de aanwezigheid van een hoogspanningslijn worden daarmee eveneens verdubbeld over dit laatste tracégedeelte (Izegem – Avelgem).
Voor de gemeenten Lendelede, Harelbeke, Waregem, Deerlijk, Anzegem, Zwevegem en Avelgem betekent dit dat boven het gemeentelijk grondgebied een infrastructuur wordt uitgebouwd die fundamenteel verschilt van de bestaande situatie, zowel in vermogen, spanning als in verwachte belasting.
Om die transportcapaciteit te verhogen van 3GW naar 6GW worden bestaande AMS-geleiders vervangen door HTLS-geleiders zodanig dat de huidige mastenrij kan behouden blijven. Het verschil is visueel klein. Het project-MER beschrijft zelf dat AMS-geleiders eigenlijk de voorkeur genieten op milieuvlak omdat “deze technologie het voordeel heeft dat de transportverliezen minimaal zijn en dat de geleiders minder geluid genereren”. Toch wordt er gekozen voor HTLS- geleiders omdat ze de bestaande mastenrij willen gebruiken en omdat voorafgaand aan de start van het project reeds de ruimtelijke principes zodanig werden beschreven (maximaal gebruik van bestaande infrastructuur) in het GRUP-proces dat het niet anders kan dan dit op deze manier te realiseren. Dan ineens worden de ruimtelijke principes wel gevolgd, maar dat er cross-country wordt gegaan in Lendelede, waar de ruimtelijke principes spreken van bundeling met bestaande infrastructuren, dat kan dan weer niet gevolgd worden. Er wordt eveneens verwezen naar de op planniveau gevoerde effectbeoordeling om de keuze voor HTLS-geleiders in plaats van AMS-geleiders te verantwoorden ondanks dat AMS-geleiders de voorkeur genieten op milieuvlak, waarbij opnieuw geen verantwoording over de milieueffecten in deze project-MER of motivering hiervan wordt meegegeven of zelfs maar gewoon wordt samengevat. Voorts wordt gedaan alsof de effectbeoordeling op planniveau vaststaat en totaal niet gebrekkig is en hierop wel moet voortgebouwd worden, terwijl deze niet eens vaststaat vermits de procedures voor de Raad van State tegen het GRUP Ventilus nog hangende zijn.
Wetende dat er momenteel maximaal 1 GW aan hoogspanningsniveau wordt geproduceerd waarbij de hoogspanningslijn die er nu reeds bestaat in dit tracégedeelte (Izegem – Avelgem) tot 3GW kan transporteren, betekent dit dat de vervoerde capaciteit meer dan verdubbelt (van 3GW naar 6GW aan mogelijke productiecapaciteit). Nu de capaciteit meer dan verdubbelt, is het onduidelijk hoeveel het toekomstige station precies zal produceren en wat de effecten van de verhoogde productie op de omgeving zijn.
De capaciteitsverhoging en de uitbreiding van het station in Izegem beïnvloeden het hele traject van de hoogspanningslijn. Toch blijft het project-MER stil over de daadwerkelijke stromen die in de toekomst door die lijn zullen lopen. In het MER wordt gerekend met een jaargemiddelde belasting van 30 % van de maximaal mogelijke transportcapaciteit (dus circa 1,8 GW), waarbij men zelf beweert dat dit een overschatting is. Dat betekent dat de milieueffecten, inclusief magnetische velden, enkel beoordeeld worden op een scenario dat lager ligt dan de technisch maximaal mogelijke belasting. Hoewel het logisch is dat de ontwerpcapaciteit in een betrouwbaar transmissienet niet continu benut wordt, betekent de keuze om enkel een 30 %-scenario te evalueren dat de echte impact bij hogere benuttingen volledig buiten beeld blijft. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de ontwerpcapaciteit van 6 GW expliciet wordt gerechtvaardigd door noodscenario’s, maar het MER niet beschrijft hoe vaak dergelijke incidenten zich statistisch kunnen voordoen.
Opvallend is ook dat de ontwerpcapaciteit aanzienlijk hoger ligt dan de gemiddelde belasting die Elia inschat in zogenaamde “realistische scenario’s” (25,8–28,5 %) voor de Ventilus-as. Vanuit technisch oogpunt kan die reserve worden verklaard door noodscenario’s, veiligheid en importpieken via interconnecties, maar vanuit milieueffectenperspectief impliceert dat wel dat de maximale impact van de infrastructuur niet geanalyseerd is. De lijn is immers ontworpen om 6 GW te transporteren, hoewel het huidige hoogspanningsstation 1 GW activiteit heeft en er maximaal 3 GW kan worden getransporteerd. Door geen vergelijking te maken tussen historische, huidige en toekomstige benutting wordt de aard van de verandering onvoldoende gekwantificeerd, wat objectieve milieubeoordeling bemoeilijkt. Men kan zich immers de vraag stellen waarom er een versterking en/of nieuwe hoogspanningslijn dient te worden aangelegd die een hogere capaciteit aankan als de zogenaamde verwachte belasting van deze nieuwe lijn van zogenaamd 30 % (dus 1,8 GW) perfect mogelijk blijft binnen de huidige transportcapaciteit van 3GW.
Daarnaast is er geen enkel kwantitatief inzicht beschikbaar over hoeveel extra stroom daadwerkelijk via de verbinding Izegem-Avelgem zal vloeien na de uitbreiding van het station in Izegem. De projectdocumenten geven immers aan dat het nieuwe station en bijkomende transformator expliciet worden gerealiseerd om stroomverdeling en betrouwbaarheid te verbeteren, maar nergens wordt verduidelijkt welke reële volumetoenames op de lijn die onder meer door Deerlijk loopt mogen worden verwacht.
Die lacune creëert onzekerheid voor de gemeenten langs waar het tracé loopt: zonder inzicht in de feitelijke toekomstige belasting kan niet worden beoordeeld welke gevolgen de verdubbeling van de transportcapaciteit en de uitbreiding van het station zullen hebben voor mens en milieu, zoals magnetische velden, geluid, ruimtelijke hinder of cumulatieve impact. Het MER vertrekt van hypothetische aannames, maar niet van concrete cijfers van potentiële toekomstige stromen — een cruciaal element voor een correcte beoordeling van de omgevingsimpact in dichtbevolkt gebied.
Gezondheidseffecten op mensen
De aanvrager verwijst naar een uitgebreid rapport (2024) van 258 pagina’s waarin de methodologische kwaliteit van studies naar de gezondheidseffecten van blootstelling aan extreem laagfrequente elektromagnetische velden wordt onderzocht. Volgens de aanvrager zou uit dit rapport blijken dat er geen overtuigend wetenschappelijk bewijs bestaat voor schadelijke gezondheidseffecten.
Deze interpretatie van het rapport verdient evenwel belangrijke nuancering.
Het rapport heeft in essentie tot doel bestaande internationale reviewrapporten over gezondheidseffecten van extreem laagfrequente elektromagnetische velden te inventariseren en te evalueren op basis van de gebruikte methodologie en de gerapporteerde resultaten. Daarbij wordt vastgesteld dat talrijke nationale en internationale instellingen wetenschappelijke literatuur bundelen in overzichtsrapporten, die vervolgens vaak als basis dienen voor beleidsaanbevelingen.
Het rapport zelf erkent echter dat de verschillende instellingen niet steeds dezelfde methodologische benadering hanteren bij het opstellen van dergelijke overzichtsrapporten. Dit kan leiden tot aanzienlijke verschillen in de kwaliteit van de analyses en in de uiteindelijke conclusies. Met andere woorden: het bestaan van uiteenlopende methodologische keuzes wijst net op het feit dat binnen de wetenschappelijke gemeenschap geen volledige consensus bestaat over de beoordeling van de beschikbare evidentie.
Hoewel de studie concludeert dat vele onderzoeksrapporten een degelijke methodologische aanpak hanteren, wordt eveneens vastgesteld dat in bepaalde gevallen afwijkende conclusies worden geformuleerd wanneer bijkomende of eigen beoordelingscriteria worden gehanteerd. Dit bevestigt dat de interpretatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens niet eenduidig is.
Wanneer meer specifiek wordt gekeken naar het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat in het rapport wordt geëvalueerd, blijkt bovendien dat ook dit advies belangrijke methodologische beperkingen vertoont. De beoordeling van dit advies gebeurde aan de hand van een scoreformulier waarbij zowel sterke als zwakke punten werden geïdentificeerd.
Enerzijds wordt vastgesteld dat het advies duidelijk de reikwijdte, doelstellingen en conclusies beschrijft en dat het uiteenzet hoe de conclusies steunen op de beschikbare wetenschappelijke evidentie. Anderzijds worden een aantal wezenlijke tekortkomingen vastgesteld die een volledige beoordeling van de kwaliteit van de review bemoeilijken. Zo worden het reviewprotocol en de volledige zoekstrategie niet publiek beschikbaar gesteld. Ook blijven de selectiecriteria voor deopgenomen studies onvoldoende transparant. Daarnaast ontbreekt een systematische analyse van de sterktes en zwaktes van de onderliggende evidentie. Evenmin wordt een overzicht gegeven van uitgesloten publicaties en blijft onduidelijk of de studies door meerdere beoordelaars onafhankelijk van elkaar werden geëvalueerd.
Deze methodologische beperkingen tonen aan dat de conclusies waarop de aanvrager zich beroept niet zonder meer als definitief kunnen worden beschouwd.
Het advies van de Hoge Gezondheidsraad uit 2020 bevestigt bovendien dat er nog steeds wetenschappelijke onzekerheid bestaat met betrekking tot de mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden.
De Raad beveelt aan om langdurige blootstelling aan magnetische velden in woonomgevingen te beperken tot 0,4 µT. Daarbij wordt expliciet benadrukt dat deze waarde niet als een grenswaarde mag worden beschouwd waarboven gezondheidseffecten zeker optreden enwaaronder deze uitgesloten zijn. De aanbeveling vertrekt dus uit een voorzorgsbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat blootstelling aan magnetische velden – in het bijzonder bij langdurige blootstelling – een rol kan spelen bij het voorkomen van kinderleukemie.
Hoewel het huidige wetenschappelijke onderzoek een verband met andere ziekten dan kinderleukemie minder waarschijnlijk acht, sluit de Hoge Gezondheidsraad mogelijke gezondheidseffecten niet volledig uit. De aanbeveling om de magnetische veldsterkte in woonomgevingen te beperken bevestigt dan ook dat voorzichtigheid aangewezen blijft wanneer nieuwe infrastructuur wordt gepland in de nabijheid van woningen.
De studie waarnaar de aanvrager verwijst kan dan ook niet worden geïnterpreteerd als een definitieve bevestiging dat elektromagnetische velden afkomstig vanhoogspanningsinfrastructuur geen gezondheidsrisico’s zouden inhouden. Integendeel, zowel de vastgestelde methodologische beperkingen als de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad tonen aan dat er nog steeds wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling.
De stelling van de aanvrager dat “er op dit moment geen wetenschappelijk onderbouwde studies zijn die met zekerheid gezondheidseffecten aantonen door blootstelling aan extreem-laagfrequente elektromagnetische velden” is volgens ons dus niet correct. Het rapport waarnaar wordt verwezen toont net aan dat de beschikbare wetenschappelijke evidentie niet eenduidig is, dat methodologische verschillen tot uiteenlopende conclusies kunnen leiden en dat belangrijke onzekerheden blijven bestaan. Bovendien bevestigt het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat er voldoende aanwijzingen zijn om het voorzorgsbeginsel toe te passen, in het bijzonder met betrekking tot langdurige blootstelling in woonomgevingen. De huidige stand van de wetenschap laat dus geen definitieve uitspraken toe die de mogelijke gezondheidseffecten volledig uitsluiten.”
Magnetische velden
Op grondgebied van gemeente Deerlijk is reeds elektromagnetische blootstelling aanwezig van de bestaande 150 kV lijn die niet zal worden ondergronds geplaatst en er daarbij een lijn van 380 kV wordt toegevoegd met dus een bijkomende elektromagnetische blootstelling bovenop de reeds aanwezige. De gemeente Deerlijk betreurt dat ook hier geen verder onderzoek naar werdgedaan nu gekend is welke masten er gebruikt zullen worden en hoe het project zou worden uitgevoerd (doch ongekend hoe hoog de geleiders zullen hangen en hoe de contouren van het stralingsveld werd berekend en wat de impact van die hoogte is op het stralingsveld). Pas nadat deze opmerking herhaaldelijk werd gemaakt, werd in de aangepaste projectinhoud die aanleiding gaf tot dit tweede openbaar onderzoek toegevoegd dat men gebruikmaakte van twee implementaties van een rekenmodel voor de berekening van magnetische velden. Daarbij werd erkend dat de 0,4 µT-contour tussen twee masten niet overal dezelfde is, omdat de hoogte van de geleiders door de doorhang varieert. Toch blijft onduidelijk hoe hoog de geleiders in werkelijkheid hangen of zouden moeten hangen, en welke breedte van het magnetische veld daaruit volgt.
Het project voorziet in hoogspanningslijnen die elektrische en magnetische velden met een extreem lage frequentie (50 Hz) veroorzaken. Elektrische velden worden in normale omstandigheden afgeschermd en vormen, zolang de wettelijke norm van 5 kV/m wordt gerespecteerd, in principe geen gezondheidsrisico.
Magnetische velden daarentegen dringen wel door materialen heen en kunnen het menselijk lichaam bereiken. Voor acute blootstelling geldt in Vlaanderen een strikte norm van 100 µT, die nooit mag worden overschreden. Voor chronische blootstelling bestaat een statistisch verband tussen jaargemiddelde waarden boven 0,4 µT en een verhoogde kans op kinderleukemie.
In de geplande toestand zullen er in totaal 687 woningen en 81 onbebouwde bouwpercelen binnen de 0,4 µT contour liggen over het gehele tracé Izegem-Avelgem (IW227). Het project voldoet volgens de initiatiefnemer aan het “Convenant tussen het Vlaamse Gewest en de netbeheerder van hoogspanningsnetwerken in Vlaanderen, Elia Transmission Belgium”. Daardoor zouden geen bijkomende maatregelen of aanbevelingen nodig zijn. Nochtans bestaat er een statistisch verband tussen langdurige blootstelling aan magnetische velden boven 0,4 µT en een verhoogde kans op kinderleukemie. Dat verband vormt de basis voor het bestaande voorzorgsbeleid zoals vastgelegd in het afsprakenkader.
Hoewel monitoring van zowel real-time waarden als jaargemiddelden wordt voorzien en de resultaten op de website van het Departement Omgeving zullen worden gepubliceerd, blijft het onduidelijk hoe dit concreet bijdraagt tot het respecteren van het voorzorgsprincipe. De afspraken worden bovendien slechts globaal benoemd en niet gemotiveerd in functie van het convenant.
Het project-MER herhaalt grotendeels de eerdere algemene opmerkingen uit het GRUP Ventilus: de blootstelling wordt beperkt, het convenant wordt nageleefd en monitoring zal plaatsvinden. Een inhoudelijke motivering of berekening ontbreekt en het blijft onduidelijk hoe de naleving van het convenant precies wordt aangetoond.
Het blijft essentieel dat zowel bestaande als nieuwe kinderopvangen, scholen en woningen beschermd worden tegen langdurige blootstelling boven 0,4 µT. Niet alleen kinderen die verblijven in een kinderopvang, maar ook de kinderen binnen gezinnen die momenteel reeds onder de bestaande hoogspanningslijn wonen, dienen beschermd te worden. De gezondheidsrisico’s zijn logischerwijze hetzelfde.
De berekening van de 0,4 µT-contour die de chronische blootstellingsrisico's definieert is gebaseerd op een jaargemiddelde belasting van 30% van de maximale ontwerpcapaciteit (6 GW). Hoewel de 30%-belasting in het MER wordt gebruikt als een zogenaamde 'overschatting' of 'worst-case' van de huidige modelberekeningen (die op 28,5% uitkomen voor het 8 GW-scenario), is de snelheid waarmee de elektrificatie in de toekomst zal toenemen "nog ongekend". Aangezien de lijn nu technisch is uitgerust om 6 GW te transporteren (een verdubbeling!), bestaat het risico dat de werkelijke toekomstige jaargemiddelde belasting hoger kan liggen dan de vastgestelde 30% van de ontwerpcapaciteit. Dat betekent dat de effecten van de verhoogde capaciteit op de omgeving – en met name de omvang van de 0,4 µT-contour – op lange termijn onvoldoende in kaart zijn gebracht en de risicobeoordeling op een onzekere aanname rust.
Bovendien kan ook de wijze waarop de 0,4 µT-stralingscontouren zijn berekend ernstig in vraag worden gesteld. Het project-MER geeft niet aan op welke hoogte de geleiders zich bevinden op de verschillende punten van het tracé, ook niet met de aanvullingen in de nieuwe projectinhoudversie die verwijzen naar de impact van de hoogte van de geleiders op de contouren van de 0,4 µT magnetische velden. Het bleek nochtans duidelijk uit het GRUP Ventilus dat de contouren afhankelijk zijn van de hoogte van de masten én de hoogte van waar de hoogspanningslijnen gehangen worden ten opzichte van de grond. In het GRUP Ventilus lag nog niet vast welke masten er zouden worden gebruikt en welke hoogtes die masten zouden hebben of op welke hoogte de geleiders zouden hangen, terwijl dit net cruciaal is om te kunnen inschatten waar de 0,4 µT contouren gelegen zijn en wat de precies impact ervan is van die blootstelling. In voorliggend project-MER wordt geopteerd voor bepaalde types masten (zie hoger), en wordt eindelijk de hoogte ervan vermeld, maar die informatie is onvolledig om de magnetische veldsterkte betrouwbaar te berekenen. Bij een bovengrondse hoogspanningslijn is het net de variabele doorhang van de kabels die bepaalt hoe hoog de geleiders boven de grond hangen. Dicht bij een mast hangen de geleiders hoger waardoor er een smallere 0,4 µT-contour is. Tussen twee masten, waar de doorhang het grootst is, hangen de geleiders lager, waardoor de 0,4 µT-contour breder is. Het MER legt echter niet uit hoe men heeft berekend waar de contouren gelegen zijn en van welk vertrekpunt aan hoogte men is uitgegaan. Ondertussen werd wel uitleg gegeven over de berekeningswijze, maar nog steeds niet van welke hoogte men is vertrokken of welke hoogtes de geleiders hangen in de verschillende zones in het project. Dat is nochtans belangrijk, want als de geleiders lager hangen, ziet het magnetisch veld er anders uit (groter/kleiner) en kan deze meer impact hebben op de menselijke gezondheid.
Omdat de hoogte van de geleiders constant verandert, kan men niet volstaan met één enkele afstand waarbinnen de 0,4 µT-contour reikt. Die afstand is immers verschillend van plek tot plek.
Het MER verwijst naar bijlage 13.1, waarin per zone de 0,4 µT-contour wordt weergegeven, maar zonder transparantie over de gebruikte parameters, zoals bijvoorbeeld de exacte hoogte van de geleiders op elk punt, is niet controleerbaar hoe de contour werd berekend en of de weergegeven zones wel overeenstemmen met de werkelijke elektromagnetische blootstelling. Doordat het MER geen duidelijkheid verschaft over de hoogte en positie van de geleiders, is de methode voor de berekening van de 0,4 µT-contour onvoldoende transparant en onvoldoende onderbouwd.
Het voorzorgsprincipe omtrent de 0,4 µT wordt door de Belgische Hoge Gezondheidsraad nochtans expliciet geformuleerd als “Ondanks het onzekere effect raadt de Hoge Gezondheidsraad (advies nr. 9432-2020) uit voorzorg aan om kinderen onder 15 jaar niet bloot te stellen aan waarden boven de 0,4µT (gemiddeld over een lange periode).” Voorzichtigheid is dus niet louter een beleidskeuze maar een wetenschappelijk onderbouwde aanbeveling. Het volstaat niet om blootstelling “zoveel mogelijk te vermijden”: de norm van 0,4 µT dient effectief te worden gerespecteerd en toch blijft de initiatiefnemer zich louter beperken tot het “zoveel mogelijk vermijden”. Er kan dan ook niet worden verantwoord dat een hoogspanningsmast wordt versterkt, dat de transportcapaciteit wordt verdubbeld en dat er geen bijkomend onderzoek werd gedaan naar de contouren van de 0,4 µT of mogelijke verdubbeling van de blootstelling nu de transportcapaciteit werd verdubbeld en de exacte inrichting van het project gekend zou moeten zijn in het project-MER. Hierbij verwijst de aanvrager in de nieuwe projectinhoudversie naar een studierapport “Inventarisatie en kritische evaluatie van internationale rapporten betreffende gezondheidseffecten van blootstelling aan extreem laagfrequente elektromagnetische velden” daterend van juni 2024, wat dus al eerder in het dossier kon worden bijgevoegd, van 258 pagina’s waarin de methodologische kwaliteit van studies naar de gezondheidseffecten van blootstelling aan laagfrequente elektromagnetische velden wordt onderzocht, waaronder het advies van de Hoge Gezondheidsraad van 2020 hierboven aangehaald. Volgens de aanvrager zou uit dit rapport blijken dat er geen overtuigend wetenschappelijk bewijs bestaat voor schadelijke gezondheidseffecten. Deze interpretatie van het rapport verdient evenwel belangrijke nuancering.
Het rapport heeft tot doel bestaande internationale reviewrapporten over gezondheidseffecten van extreem laagfrequente elektromagnetische velden te evalueren op basis van de gebruikte methodologie. Daarbij wordt vastgesteld dat talrijke nationale en internationale instellingen wetenschappelijke literatuur bundelen in overzichtsrapporten, die vervolgens vaak als basis dienen voor beleidsaanbevelingen.
Het rapport zelf erkent echter dat de verschillende instellingen niet steeds dezelfde methodologische benadering hanteren bij het opstellen van dergelijke overzichtsrapporten. Dit kan leiden tot aanzienlijke verschillen in de kwaliteit van de analyses en in de uiteindelijke conclusies. Met andere woorden: het bestaan van uiteenlopende methodologische keuzes wijst net op het feit dat binnen de wetenschap geen volledige consensus bestaat over de beoordeling van de beschikbare evidentie.
Hoewel de studie concludeert dat vele onderzoeksrapporten een degelijke methodologische aanpak hanteren, wordt eveneens vastgesteld dat in bepaalde gevallen afwijkende conclusies worden geformuleerd wanneer bijkomende of eigen beoordelingscriteria worden gehanteerd. Dit bevestigt dat de interpretatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens niet eenduidig is. Wanneer meer specifiek wordt gekeken naar het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat in het rapport wordt geëvalueerd, blijkt bovendien dat ook dit advies methodologische beperkingen vertoont. De beoordeling van dit advies gebeurde aan de hand van een scoreformulier waarbij zowel sterke als zwakke punten werden geïdentificeerd.
Enerzijds wordt vastgesteld dat het advies duidelijk de reikwijdte, doelstellingen en conclusies beschrijft en dat het uiteenzet hoe de conclusies steunen op de beschikbare wetenschappelijke evidentie. Anderzijds worden een aantal wezenlijke tekortkomingen vastgesteld die een volledige beoordeling van de kwaliteit van de review bemoeilijken. Zo worden het reviewprotocol en de volledige zoekstrategie niet publiek beschikbaar gesteld. Ook blijven de selectiecriteria voor de opgenomen studies onvoldoende transparant. Daarnaast ontbreekt een systematische analyse van de sterktes en zwaktes van de onderliggende evidentie. Evenmin wordt een overzicht gegeven van uitgesloten publicaties en blijft onduidelijk of de studies door meerdere beoordelaars onafhankelijk van elkaar werden geëvalueerd. Deze beperkingen tonen aan dat de conclusies waarop de aanvrager zich beroept niet zonder meer als definitief kunnen worden beschouwd.
Het advies van de Hoge Gezondheidsraad uit 2020 bevestigt bovendien, zoals reeds eerder in het advies van de gemeente benadrukt, dat er nog steeds wetenschappelijke onzekerheid bestaat met betrekking tot de mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan magnetische velden. De HGR beveelt aan om uit voorzorg woonomgevingen niet langdurig bloot te stellen aan magnetische velden en deze aldus minstens te beperken tot 0,4 µT. Daarbij wordt expliciet benadrukt dat deze waarde niet als een grenswaarde mag worden beschouwd waarboven gezondheidseffecten zeker optreden en waaronder deze uitgesloten zijn. De aanbeveling vertrekt dus uit een voorzorgsbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat blootstelling aan magnetische velden, in het bijzonder bij langdurige blootstelling, een rol kan spelen bij het voorkomen van kinderleukemie.
Hoewel het huidige wetenschappelijke onderzoek een verband met andere ziekten dan kinderleukemie minder waarschijnlijk acht, sluit de Hoge Gezondheidsraad mogelijke gezondheidseffecten niet volledig uit. De aanbeveling om de magnetische veldsterkte in woonomgevingen te beperken bevestigt dan ook dat voorzichtigheid aangewezen blijft wanneer nieuwe infrastructuur wordt gepland in de nabijheid van woningen.
De stelling van de aanvrager dat “er op dit moment geen wetenschappelijk onderbouwde studies zijn die met zekerheid gezondheidseffecten aantonen door blootstelling aan extreem-laagfrequente elektromagnetische velden” is volgens ons dus niet correct. Het rapport waarnaar wordt verwezen toont net aan dat de beschikbare wetenschappelijke evidentie niet eenduidig is, dat methodologische verschillen tot uiteenlopende conclusies kunnen leiden en dat belangrijke onzekerheden blijven bestaan. Bovendien bevestigt het advies van de Hoge Gezondheidsraad dat er voldoende aanwijzingen zijn om het voorzorgsbeginsel toe te passen, in het bijzonder met betrekking tot langdurige blootstelling in woonomgevingen. De huidige stand van de wetenschap laat dus geen definitieve uitspraken toe die de mogelijke gezondheidseffecten volledig uitsluiten.
Voorts kan nog worden opgemerkt dat er op plaatsen waar een nieuwe bovengrondse verbinding wordt gerealiseerd het de bedoeling is volgens het project-MER om AMS-geleiders te gebruiken die een beperkte transportcapaciteit hebben en daardoor per bundel van 4 wordt geplaatst. Deze AMS-geleiders genieten de voorkeur volgens het project-MER op milieuvlak omwille van minimale transportverliezen en omdat ze minder coronageluid genereren. Er is immers een grotere kans op coronageluid bij HTLS-geleiders. Waar het echter gaat om bestaande masten, worden geen AMS-geleiders gebruikt omdat deze te zwaar zijn voor debestaande masten, maar wordt er gekozen voor de HTLS-geleiders die een gelijkwaardige transportcapaciteit hebben als een bundel van 4 AMS geleiders maar dus minder zwaar wegen waardoor de bestaande mastenrijen kunnen hergebruikt worden.
De inwoners van Deerlijk worden aldus blootgesteld aan meer (corona)geluidshinder wegens het verzwaren van een bestaande lijn met bestaande masten (met HTLS-geleiders), dan elders waar een nieuwe lijn wordt aangelegd (met AMS geleiders). De impact hiervan wordt ook geminimaliseerd in de ganse vergunningsaanvraag.
Samengevat is het teleurstellend dat er bij de aanvang van de uitvoeringswerken van het GRUP Ventilus nog steeds dergelijke grote kennislacunes bestaan omtrent de effecten van elektromagnetische velden en het bereik ervan en vooral de berekening van het bereik ervan rekening houdend met de effectieve hoogte van de masten en de effectieve hoogte waarop de geleiders zullen hangen, wat zelfs met de aanvullingen in de nieuwe projectinhoudversie nog steeds niet specifiek werd bepaald of aangetoond zodat onduidelijk kan worden ingeschat tot waar de contouren daadwerkelijk zullen reiken en welke impact dit kan hebben op de woningen gelegen langs het tracé.Dit geldt zowel voor de gevolgen voor de gezondheid van de mens als de gezondheid van (landbouw)dieren, terwijl deze zouden moeten worden beschreven en beoordeeld en er op basis van die kennis milderende maatregelen moeten worden bedacht.
Tot slot wordt opgemerkt dat ondanks de voorziene metingen nergens wordt gewaarborgd dat er, indien verhoogde blootstelling wordt vastgesteld, daadwerkelijke maatregelen zullen worden opgelegd of dat de initiatiefnemer kan worden gesanctioneerd. Er is dus geen effectieve bescherming van burgers die onder of nabij de bestaande of nieuwe hoogspanningslijnen wonen.
Psychomatische effecten
De psychomatische effecten van het project worden onvoldoende beoordeeld. De zichtbaarheid van bovengrondse hoogspanningslijnen veroorzaakt aantoonbaar ongerustheid bij omwonenden, wat kan leiden tot psychosomatische klachten. Tijdens de aanlegfase kan bijkomende hinder (geluid, licht, verkeer en visuele verstoring) deze effecten versterken. Bovendien bestaat een duidelijke kennislacune: er is geen inzicht in hoeveel mensen ongerustheid, stress of slaapverstoring ervaren. Door dit gebrek aan onderzoek en het ontbreken van milderende maatregelen kan het project niet verantwoord worden.
Volgens de aanvrager die het verder niet heeft onderzocht in de aangepaste projectinhoudversie, zijn de psychosomatische effecten eerder beperkt omdat de punten waar de projecten het huidige projectvoornemen zouden kruisen, geen woningen gelegen zijn in de directe omgeving zodat de cumulatie psychosomatische effecten eerder beperkt zal zijn en omdat er ook geen langdurige blootstelling zal zijn aan verhoogde geluids- en luchtemissies tijdens de aanlegfase, gezien deze beperkt is in de tijd.
Hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze psychosomatische klachten niet per se dienen verband te houden met de daadwerkelijke blootstelling aan bijkomende elektromagnetische straling, geluid, licht, verkeer en visuele verstoring, maar wel de mogelijkheid hiertoe die bij heel wat omwonenden ongerustheid veroorzaakt waardoor zij psychosomatische klachten ervaren (veroorzaakt door psychische spanningen, stress of emotionele problemen zonder duidelijk (medische) oorzaak. Was er geïnvesteerd geweest in duidelijkheid en sluitend onderzoek over de gezondheidseffecten op de omwonenden van de bijkomende masten en versterking van de geleiders naar 380kV, was die grote ongerustheid onder de bevolking niet aanwezig en was er ook geen sprake van zware psychosomatische effecten ten gevolge van het project. Was er meer aandacht besteed aan een ondergronds alternatief of duidelijke voorzorgsmaatregelen omtrent bijkomende elektromagnetische straling van de bovengrondse (bestaande versterkte en of nieuwe) hoogspanningslijnen, idem.
Gezondheidseffecten op dieren
Het MER geeft geen duidelijk beeld van wat de lijnversterking echt betekent voor dieren en bevat veel hiaten. Het risico op vogel-aanvaringen wordt erkend, maar het MER gaat er te snel van uit dat vogelbebakening (reflecterende, fluorescerende en fotoluminescente markeringen) dit volledig oplost, zonder dat de effectiviteit daarvan of de invloed van een hogere transportcapaciteit is onderzocht. Ook de verstoring door de werf, extra verkeer en hinder wordt te licht ingeschat, terwijl er biologisch waardevolle gebieden in de buurt zijn, zoals rond mast P26. Het geluid van de nieuwe HTLS-geleiders, dat geknetter en gebrom kan veroorzaken, is onbekend maar wordt zonder bewijs als onbelangrijk beschouwd.
De impact van de knipperende signalisatieverlichting is onvoldoende onderzocht. Het MER zegt dat sommige vogels hierdoor kunnen worden aangetrokken, maar zonder veldonderzoek wordt aangenomen dat vleermuizen en andere dieren er geen last van hebben. De effecten van elektromagnetische velden op dieren zijn grotendeels onbekend. Ondanks internationale onzekerheid wordt daar geen extra onderzoek naar gedaan en worden geen voorzorgsmaatregelen voorgesteld, terwijl de veldsterkte door de lijnverzwaring kan toenemen.
Ook de tijdelijke inname van 35,47 hectare leefgebied wordt te licht beoordeeld. Het risico voor amfibieën rond masten P8 en P9, bijvoorbeeld door lagere waterstanden in hun voortplantingsperiode, wordt onvoldoende serieus genomen. Al met al is het MER op basis van deze tekortkomingen geen betrouwbare basis voor een verantwoord oordeel over de ecologische impact van het project.
Impact werfzone / werfverkeer op mobiliteit
Wat betreft de voorziene werken aan de bovengrondse hoogspanningslijn stelt het MER dat de impact “nagenoeg verwaarloosbaar” is. Hoewel de werfzones op zich inderdaad verder van de rijbaan liggen en daardoor geen directe onderbreking van het verkeer veroorzaken, is deze conclusie onvoldoende onderbouwd.
De aangeleverde raming van maximaal 50 verkeersbewegingen per dag lijkt op zich beperkt, maar deze inschatting houdt geen rekening met de lokale context: smalle wegen, beperkte uitwijkmogelijkheden en de nabijheid van drukke verkeersassen zoals de N36 (Vichtsesteenweg) en de op- en afritten van de E17. Daarnaast is een carpoolparking gepland in dit gebied waarvoor reeds een omgevingsvergunning is aangevraagd. Er wordt gevraagd om hiermee rekening te houden zodat de uitvoering van de carpoolparking niet in het gedrang komt. Een goede afstemming tussen beide projecten is aangewezen.
Leesbaarheid van het dossier
Tot slot wil het college nog opmerken dat de hoegrootheid van het dossier de leesbaarheid bijna onmogelijk maakt voor lokale besturen en hun inwoners. Op zich zou daar op vrij eenvoudige wijze kunnen aan tegemoet gekomen zijn door de project-MER op te delen per vergunningsaanvraag en te duiden per gemeente. Doch in voorliggende MER is daar niets van aan. De project-MER beslaat niet enkel de bijhorende omgevingsvergunningaanvraag, maar meteen ook de vier overige omgevingsvergunningsaanvragen die samen het gehele Ventilustraject uitmaken. Waar het voor een lokaal bestuur al niet evident is om uit de talloze documenten de concrete informatie te puren die van toepassing is op haar grondgebied, is dat voor een burger die niet dagelijks thuis is in deze materie quasi onbegonnen werk. Enkel de project-MER bij voorliggend dossier beslaat 57 documenten, waarvan elk document tientallen tot honderden bladzijden telt. Om binnen een tijdspanne van dertig dagen alle documenten door te nemen en te doorgronden welke delen van die teksten op een burger van toepassing is, getuigt van een laconiek gebrek aan begrip en respect voor de moeite die burgers zich troosten om hier wijs uit te geraken.
Juridische gronden
● Decreet Lokaal Bestuur, meer bepaald artikel 40 §1
● Decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, meer bepaald artikelen 4.3.7 - 4.3.8
● Decreet betreffende de omgevingsvergunning
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen verleent een ongunstig advies betreffende het ontwerp-MER voor het project Ventilus gelet op bovenstaande uiteenzetting hieronder samengevat:
● Er is geen alternatievenonderzoek meer gebeurd omtrent locatie of het al dan niet ondergronds brengen van de hoogspanningslijn, de resultaten van het alternatievenonderzoek uit het GRUP Ventilus werden slechts kort samengevat zonder evenwel dieper in te gaan op de milieueffecten, terwijl dit in het project-MER moet worden besproken.
● De effectief gebruikte transportcapaciteit kan hoger liggen dan de initiatiefnemer vooropstelt omdat deze wordt verdubbeld ten opzichte van de huidige situatie (van 3GW naar 6GW).
● Gasgeïsoleerde stations hebben een groter isolatievermogen tegenover lucht, zodat die installaties aanzienlijk kleiner kunnen worden uitgevoerd en er dus veel minder plaats moet worden ingenomen. Er wordt hier echter niet dieper op ingegaan wanneer dergelijk alternatief mogelijk zou worden of waarom dat nu niet mogelijk is.
● De visuele verstoringen in het enige resterende open ruimtegebied binnen de gemeente zijn enorm en worden in het project onderschat.
● Er werd geen verder concreet onderzoek gedaan naar gezondheidseffecten. Nochtans zou in deze fase van het project gekend moeten zijn waar de 0,4μT contouren precies gelegen zijn gebaseerd op de hoogtes van de masten en van de geleiders nu verwacht kan worden dat het type masten en de hoogte van de kabels bekend zou moeten zijn. Dit wordt niet verduidelijkt ondanks de eerdere opmerkingen van de gemeente.
● Er is nog te veel kennisimpasse omtrent de gezondheidsrisico’s.
Artikel 2
Het college van burgemeester en schepenen besluit dit negatief advies over te maken aan Team Omgevingseffecten – Milieueffectrapportage, Departement Omgeving, Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten, Havenlaan 88 te 1000 Brussel op het e-mailadres mer@vlaanderen.be, en via het omgevingsloket ten laatste 13 maart 2026.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.24. Windhalmlaan 19 - beheerovereenkomst - verfraaiingswerken - goedkeuring
Dit punt werd uitgesteld naar een volgende zitting.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.25. Standplaats ambulante handel - Churros & Sweets - goedkeuring
Aanleiding en context
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd de aanvraag tot een eenmalige inname van openbaar domein als standplaats voor ambulante handel van Churros & Sweets, goed te keuren.
Motivering
Het oliebollen- en churroskraam 'Churros & Sweets' vraagt toelating om een eenmalige, ambulante stand in te nemen tijdens het weekend van Pinksteren op 23, 24 en 25 mei 2026.
Identiteit van de zaak
Naam stand | Churros & Sweets |
Type stand | Oliebollen- en churroskraam |
Gewenste locatie | Neunkirchenplein |
Gewenste dag(en) | ● Zaterdag 23 mei 2026 ● Zondag 24 mei 2026 ● Maandag 25 mei 2026 |
Gewenste tijdstip | ● Zaterdag 23 mei 2026 van 14.00 tot uiterlijk 22.00 uur ● Zondag 24 mei 2026 van 14.00 tot uiterlijk 22.00 uur ● Maandag 25 mei 2026 van 14.00 tot uiterlijk 22.00 uur |
Aantal meter | 4 meter |
Nood aan elektriciteit | Ja |
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
● Andere:
○ Retributiereglement ambulante handel, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 11 september 2025
Financiën
De beslissing heeft financiële gevolgen.
Raming of bedrag | Retributie standplaats: 3 euro per lopende meter met een minimum van 20 meter. + Elektriciteit: 5 euro per dag |
Actie | Overig beleid |
Jaarbudgetrekening | GBB/0020-00/73603000 |
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de aanvraag tot een eenmalige inname van openbaar domein als standplaats voor ambulante handel van Churros & Sweets, goed te keuren.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.26. Begraafplaats - verwaarloosd graf - kennisname
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.27. Grafconcessie - toekenning - goedkeuring
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.28. Asverstrooiing - intrekking en herneming - goedkeuring
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.29. Responsabiliseringsfactuur - aanstellen raadsman - goedkeuring
Aanleiding en context
Met de wet van 24 oktober 2011 werd de zogenaamde "aanvullende pensioenbijdrage voor individuele responsabiliseringsbijdrage" ingevoerd die een lokaal bestuur verschuldigd is ter financiering van de pensioenen van vastbenoemde personeelsleden.
Met de wet van 30 maart 2018 werd de responsabiliseringsbijdrage voor de lokale besturen gewijzigd. Met de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2025, in voege vanaf 1 januari 2026, wordt voorzien in een verlichting van de responsabiliseringsfactuur voor een specifieke categorie van lokale besturen, met name de lokale besturen met minstens 100.000 inwoners.
Het college van burgemeester en schepenen wordt gevraagd een raadsman aan te stellen teneinde voormelde wet te betwisten bij het Grondwettelijk Hof.
Motivering
Met de wet van 24 oktober 2011 werd de zogenaamde "aanvullende pensioenbijdrage voor individuele responsabiliseringsbijdrage" ingevoerd die een provinciaal of plaatselijk bestuur of een lokale politiezone verschuldigd is ter financiering van de pensioenen van vastbenoemde personeelsleden.
De responsabiliseringsbijdrage werd ingevoerd om de lokale besturen een jaarlijkse bijdrage te laten betalen aan het "Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen" dat opgericht is binnen de federale overheid, alsook om hen verantwoordelijk te maken voor de pensioenlasten van de door hen aangestelde statutaire ambtenaren.
Met de wet van 30 maart 2018 werd de responsabiliseringsbijdrage gewijzigd doordat voortaan ook rekening wordt gehouden met de gemaakte kosten voor de opbouw van aanvullende pensioenen (tweede pensioenpijler) ten gunste van contractuele personeelsleden. Lokale besturen die een aanvullend pensioen aanbieden en hierbij aan bepaalde voorwaarden voldoen, krijgen een vermindering van de responsabiliseringsbijdrage. Lokale besturen die geen recht hebben op deze vermindering betalen een verhoogde responsabiliseringsbijdrage, die wettelijk begrensd is.
lngevolge de veralgemening van de tweede pensioenpijler onder de provinciale en plaatselijke besturen werd het aantal besturen die geen recht hebben op de vermindering kleiner, waardoor er een deficit ontstond in het Gesolidariseerd pensioenfonds. De wet van 11 december 2023, de wet van 25 april 2024 en de wet van 18 juli 2025 hebben daarop voor de iaren 2023, 2024 en 2025 voorzien dat de toegekende verminderingen op de responsabiliseringsbijdragen deels op een andere wijze worden gefinancierd via een dotatie vanuit de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid. Om het bedrag van de dotatie van de federale overheid te beperken, werd de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage voor het jaar 2024 beperkt tot 30 % van de kosten van de aanvullende pensioenregeling.
Met de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2025, en de artikelen 142, 143, 144 en 145 in het bijzonder, worden opnieuw wijzigingen aangebracht aan de responsabiliseringsfactuur van de lokale besturen.
Vooreerst beoogt deze wetswijziging de voormelde beperking van de vermindering tot 30 % die in 2024 werd toegepast verder te laten lopen tot 2028 (artikel 142).
Daarnaast voorziet de wetswijziging in een verlichting van de responsabiliseringsfacturen voor een specifieke categorie van lokale besturen, met name de lokale besturen met minstens 100.000 inwoners (artikel 143). Dit artikel bepaalt onder meer het volgende: "Opdat de werkgever recht zou hebben op de in het eerste lid bedoelde verlichting van de responsabiliseringsfactuur, moet zijn maatschappelijke zetel gevestigd zijn in een gemeente waarvan het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar minstens 100.000 bedraagt."
Ten derde wordt een dotatie ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van de federale
overheid ter financiering van de verlichting van de responsabiliseringsfactuur voor de lokale besturen met minstens 100.000 inwoners (artikel 144).
Tot slot regelt artikel 145 de inwerkingtreding van deze wijzigingen.
Deze wet van 18 december 2025 stelt een voorkeursbehandeling in voor gemeenten ten nadele van andere gemeenten die grondwettigheidsbezwaren doet rijzen, onder meer op het vlak van het gelijkheidsbeginsel. De Raad van State wees er, in het advies bij het wetsontwerp, in dat verband reeds op dat het verschil in behandeling niet steunt op een pertinent en objectief criterium dat het verschil in behandeling redelijk kan verantwoorden, waardoor aldus het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt.
De gemeente Deerlijk wenst dan ook over te gaan tot het instellen van een vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof tegen de wet van 18 december 2025. De beroepstermijn bedraagt 6 maanden vanaf de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad.
De gemeente Deerlijk verneemt dat ook andere gemeenten een vernietigingsprocedure wensen in te stellen tegen deze wet en dat de stad Genk een offerte-aanvraag deed aan vijf gespecialiseerd advocatenkantoren, waarbij de stad Genk op basis van een gemotiveerde keuze op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding ervoor opteerde om samen te werken met meester Jürgen Vanpraet van Prator Advocaten bv.
De gemeente Deerlijk sluit zich aan bij de keuze van raadsman van de stad Genk. Het is aangewezen uit economisch oogpunt om één en dezelfde raadsman aan te duiden.
Juridische gronden
Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, 57, 297 Decreet Lokaal Bestuur
Het college van burgemeester en schepenen vertegenwoordigt de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist om op te treden in rechte namens de gemeente.
Financiën
De beslissing heeft financiële gevolgen.
Raming of bedrag | 1.000 euro |
Actie |
|
Jaarbudgetrekening | 2026/GBB/0119-00/61302000/GEMEENTE |
Visum | geen visum vereist |
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit een vernietigingsprocedure in te stellen en te doorlopen bij het Grondwettelijk Hof tegen de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2025, en de artikelen 142, 143, 144 en 145 in het bijzonder.
Artikel 2
Het college van burgemeester en schepenen besluit om Meester Jürgen Vanpraet, van het kantoor Prator advocaten bv, aan te stellen als raadsman voor het voeren van de procedure bij het Grondwettelijk Hof. Voor het voeren van de procedure wordt woonstkeuze gedaan op het kantoor van meester Vanpraet.
Artikel 3
Het college van burgemeester en schepenen besluit om Meester Jürgen Vanpraet een afschrift van deze beslissing te sturen.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
C.30. MAT - verslag 4 maart 2026 - kennisname
Aanleiding en context
Het MAT hield een vergadering op 4 maart 2026.
Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht kennis te nemen van het verslag.
Motivering
Het verslag van deze vergadering werd goedgekeurd door de leden van het managementteam.
De bijhorende toelichting is te vinden in het verslag in bijlage.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
Adviezen
Er zijn geen adviezen nodig.
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het goedgekeurde verslag.
Zitting van CBS van 11 MAART 2026
D.1. Gemeenteraad van 26 maart 2026 - agendapunten - verzoek agendering - goedkeuring
Aanleiding en context
De agenda van de gemeenteraad bevat in ieder geval de punten die door het college van burgemeester en schepenen aan de voorzitter worden meegedeeld.
Het college en burgemeester en schepenen wordt gevraagd de agenda voor de komende gemeenteraad te overlopen.
Motivering
Het college van burgemeester en schepenen overloopt de voorziene punten voor de gemeenteraadszitting van 26 maart 2026.
Er zijn geen adviezen nodig.
Juridische gronden
● Algemene basisbevoegdheid: Art. 56, § 1 Decreet Lokaal Bestuur
● Andere:
○ Art. 19 Decreet Lokaal Bestuur
Financiën
De beslissing heeft geen financiële gevolgen.
BESLUIT
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen besluit de voorzitter van de gemeenteraad te verzoeken om volgende punten te agenderen op de gemeenteraad van 26 maart 2026:
OPENBARE ZITTING
● Gemeenteraad - 26 februari 2026 - notulen en audio-opname - goedkeuring
● Raamovereenkomst ICT 2025-2031 van stad Brugge - toetreding - goedkeuring
● Raamovereenkomst 'Schoonmaak - april 2023' van Creat - toetreding - goedkeuring
● Sport - retributiereglement cafetaria sporthal en kantine Olieberg - goedkeuring
● Overdracht erfpachtrecht vzw Braamrakkertjes - goedkeuring
● Asfalteringswerken diverse wegen - lastvoorwaarden, raming en wijze van gunnen - goedkeuring
● Personeelsbeleid - delegaties - goedkeuring
● Vragen gesteld door raadsleden - kennisname
Publicatie LBLOD
De applicatie "Meeting.burger" helpt lokale besturen bij het aanmaken, annoteren en publiceren van agenda's, besluiten en notulen volgens het principe van gelinkte open data.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, wordt er een expliciete "bundel" van het document opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker. Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie werd uitgevoerd.
Al deze gegevens staan op een aparte publicatie omgeving die beveiligd toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.